Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

passer - (meetinstrument; monteur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

passer zn. ‘meetinstrument’
Mnl. pesser ‘cirkelinstrument’ [1240; Bern.], passer ‘meetinstrument, passer’ in Dattet vat een eye was (ovaal) und dat de boom (bodem) nicht cirkelront en was, wente se dar een passer und een cirkel bij hedden ‘dat het vat ovaal was en dat de bodem niet cirkelrond was, omdat ze er een passer en een cirkel bij hielden’ [1443-51; MNW]; vnnl. een passer ‘instrument om cirkels af te meten’ [1573; Thes.], passen met den passer ‘afmeten met de passer’ [1599; Kil.].
Afleiding van → passen in de betekenis ‘meten, afmeten’, zoals in passen en meten en in de afleiding afpassen ‘nauwkeurig afmeten’. Het woord werd in het Middelnederlands ook gebruikt voor een paslood of peillood [1483; MNW], waarmee immers ook wordt gemeten. De vorm pesser in het Glossarium Bernense is opvallend en berust misschien op een schrijffout.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

passen, † passer ww. resp. znw., in de tegenwoordige bet. reeds in 15e-eeuwse wdbb. en mnd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

passer m., gelijk Hgd. passer, naar Fr. compas, van Lat. compassum (-us) = kring, bij passus (z. pas 1.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1passer s.nw.
Instrument om sirkels mee te trek.
Uit Ndl. passer (al Mnl.), 'n afleiding van passen 'pas' (sien 3pas).

2passer s.nw.
Vakman wat masjiene en pypleidings maak en herstel.
Afleiding met -er van pas (3pas), as leenvertaling van Eng. fitter (1851).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

passer ‘meetwerktuig’ -> Duits dialect Passer, Paster, Pässer ‘meetwerktuig’; Deens passer ‘meetwerktuig’; Noors passer ‘meetwerktuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds passare ‘meetwerktuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch paser ‘meetwerktuig’; Savu pahe ‘meetwerktuig’; Japans † passuru ‘meetwerktuig’; Negerhollands passer ‘meetwerktuig’; Papiaments paser ‘meetwerktuig’; Sranantongo pasra ‘meetwerktuig’; Saramakkaans pása ‘meetwerktuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

passer meetwerktuig 1443-1451 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal