Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paspoort - (reisdocument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

paspoort zn. ‘reisdocument’
Mnl. passeport ‘vrijgeleidebrief’ in uuter stede ... datter niemant uute mach zonder passeport ‘dat niemand de stad uit mag zonder vrijgeleidebrief’ [1488; MNW]; vnnl. passeport, paspoort ‘vrijgeleidebrief voor persoon, geleidebiljet voor goederen’ in dat die gasten een passepoirte hebben van den scout, dat zy hier binnen der stede moghen wesen [1511; MNW], van alle kairn ... een paspoirt int zyzehuysken toe halen ‘voor al het koren een geleidebiljet halen in het accijnshuisje’ [1558; MNW], ‘reispas, autorisatie om te mogen reizen’ in de pasporten voor de gaende en komende persoonen [1599; WNT], paspoort van de Spaanse Consul te Middelburgh ‘vergunning ... (om uit Zeeland naar Antwerpen te reizen)’ [1664; WNT]; nnl. paspoort ‘reisdocument’ in vreemdelingen ... de paspoorten, waarvan zij houders zijn ... [1806; WNT].
Ontleend aan Frans passeport ‘vrijgeleidebrief voor persoon’ [1464; TLF], eerder al ‘geleidebiljet voor handelsgoederen’ [1420; TLF]. Dit woord, letterlijk ‘ga door de doorgang’, is gevormd uit de gebiedende wijs passe van het werkwoord passer ‘voorbijgaan, passeren’, zie → passeren, en port ‘doorgang, uitgang’, zie → poort.
pas 3 zn. ‘paspoort; bewijsdocument’. Vnnl. pas ‘vrijgeleide, vrije doorgang’ in brieven van pas ‘vrijgeleidebrieven’ [1532; WNT pas I], geven vrye pas nae de selve landen [1634; WNT pas I], ‘doorgangsdocument’ in aengecomen om een pas ‘gekomen om een pas te krijgen’ [1648; WNT pas I]; nnl. ook vaak het verkleinwoord pasje ‘doorgangsdocument, vergunning’ in vertoonende ons een pasje ..., waarby hem gepermitteerd wierd ... [1705; WNT permitteeren]. Verkorting van paspoort of hetzelfde woord als → pas 1 in de betekenis ‘doorgang, vrije passage’ en in dat geval een verkorting van brief van pas, zie de attestatie van 1532.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paspoort [nationaliteitsverklaring] {pas(se)porte, paspo(o)rt 1488} < frans passeport [idem], van passer [door of langs gaan] (vgl. passeren) + port [haven, maar in oudfr. ook bergpas, grens] < latijn portus [haven].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

paspoort

Gewoonlijk gebruikt men de verkorte vorm: pas. Het volledige woord is uit het Frans overgenomen. Passe-port is een samenstelling van de stam van het werkwoord passer en port: haven. Een paspoort is dus oorspronkelijk een vrijgeleide op zee, een papier dat toegang tot een haven gaf. Volgens anderen is port: toegang (van het ene land naar het andere).

In tal van talen is de verkorte vorm pas voor paspoort verbreid, bijvoorbeeld in het Duits, Deens, Zweeds en Italiaans.

Wij gebruiken het woord pas in de verkleiningsvorm: pasje ook voor: tramkaartje waarmee men op een andere lijn kan overstappen. Dit is een verkorting van het Franse passe-partout: doorlopende toegangskaart.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pas II (paspoort), nog niet bij Kil. Verkort uit paspoort (sedert 1488: passeport) = oud-nhd. passport (sedert 1561), mnd. pasport o., eng. passport “paspoort”. Uit fr. passeport, samenst. uit den stam van passer “passeeren” en port (< lat. portus) “haven”. De ofr. vorm passe-porte (met 2de lid porte; zie poort) is jonger. In de tegenwoordige talen is de verkorte vorm zeer verbreid: nhd. pass m., de. pas, zw. pass, it. passo.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paspoort o., uit Fr. passeport, gevormd met den stam van passer (z. pas 4), en port = doortocht (z. poort).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

paspoort s.nw.
Amptelike bewys dat toestemming aan 'n burger verleen is om oor die landsgrense te reis.
Uit Ndl. paspoort (al Mnl.). Oorspr. ook op goedere van toepassing gewees.
Ndl. paspoort uit Fr. passeport, 'n samestelling van passer 'verbygaan' en port 'hawe', in Oudfrans ook 'bergpas, grens'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

paspoort (Frans passeport)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Paspoort, van ’t Fr. passe-port, van passer = gaan, passeeren, en port (eig. porte) = poort, stadspoort; dus: schriftelijke vergunning om de poort binnen te gaan, vandaar: reispas, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paspoort ‘nationaliteitsverklaring’ -> Deens † passeport ‘nationaliteitsverklaring; schriftelijke toestemming om een haven in te zeilen’; Russisch pásport; ook: pášport, páčport ‘nationaliteitsverklaring’; Oekraïens pásport ‘nationaliteitsverklaring’ <via Russisch>; Wit-Russisch pášpart ‘nationaliteitsverklaring’ <via Russisch>; Azeri pasport ‘nationaliteitsverklaring’ <via Russisch>; Indonesisch paspor ‘nationaliteitsverklaring’; Papiaments pasport (ouder: paspoort) ‘nationaliteitsverklaring’; Sranantongo pasport ‘nationaliteitsverklaring’; Aucaans pasipotoe ‘nationaliteitsverklaring’; Surinaams-Javaans paspor ‘nationaliteitsverklaring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paspoort nationaliteitsverklaring 1488 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1783. Iemand zijn paspoort geven,

d.w.z. iemand uit zijn dienst ontslaan, wegsturen; vooral van den militairen dienst gezegd; zijn paspoort nemen, ontslag nemen (o.a. B.B. 378); vgl. Plantijn: Pasport nemen, prendre passeport. Ook werd het bij overdracht gebruikt van een meisje, dat haren vrijer bedankte, hem den bons gaf; zie Brederoo 3, 313; 18; Asselijn, J. Kl. 623; Langendijk, 2, 193: Hans zorg jy niet voor my: Je hebt je paspoort, en de bons, 'k wil jou niet kennen; Halma, 498: Eenen vrijer zijne paspoort geeven, hem niet meer willen te woord staan, donner congé à son galant, le renvoyer, le congédier; oostfri. hê hed sîn pas kregen; sîn brûd hed hum de pas gefen; fri. immen syn pasboert jaen; Afrik. iemand sy paspoort gee. Het znw. paspoort is ontleend aan het fr. passeportHatzfeld, 1690; Passeport, composé de passe et port, au sens de passage. en komt bij ons sedert de middeleeuwen voor.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal