Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pasjakroet - (scheldwoord)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pasjakroet, zn.: nulliteit, mens die niets betekent, lummel; beunhaas, onbetrouwbaar verkoper; aansteller. Ook Ovl. pasjakroet (Ronse), passakroet (Gent) ‘oneerlijke straatventer, nietsnut, sukkel’. Met een soort dissimilatie uit Pic. (Rouchi) cachacroute ‘parasiet’, letterlijk ‘die korsten, brood zoekt’. Pic. cacher ‘chercher, zoeken’. Ook associatie met pasja.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

pachakroet, pasjakroet: (in Vlaanderen, vnl. Brussel en Gent) nietsnut; snoever of windbuil. Soms ook: onbetrouwbaar sujet. Van het Arabisch basha kharut (pocher). In het Nero-stripverhaal ‘De hoed van Gerard de Duivel’ (1950) wordt de duivel door madam Pheip uitgescholden voor bokkenbaard en pachakroet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal