Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

parade - (ceremoniële optocht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

parade zn. ‘ceremoniële optocht’
Vnnl. parade ‘vertoon’ in Onsen schrijver (maeckt) hiermede eene parade, om ... te thoonen ‘onze schrijver paradeert hiermee om te laten zien ...’ [1617; WNT], ‘opstelling van soldaten voor inspectie of bij een bijzondere gelegenheid’ in die parade der soldaten [1619; WNT]; nnl. ook overdrachtelijk ‘het marcheeren in gelid’ in wandelt op de parade voor de tamboers uit [1840; WNT], ‘het paraderen van mensen om zich te laten zien’, vooral in de samenstelling pantoffelparade ‘id.’ (NN) in de Haagsche pantoffelparade in 't Voorhout [1871; WNT], ook niet-samengesteld in dure-winkelstraten ..., waar 't 's middags parade is van ... [1901; WNT].
Ontleend aan Frans parade ‘militaire optocht’ [eind 16e eeuw; TLF], ‘zichtbare opstelling van troepen tegenover de vijand’ [1571; TLF], eerder ook al ‘vertoon, uitstalling’ [1455; TLF], ontleend aan Spaans parada ‘(militaire) optocht’, eerder al ‘het doen halthouden, de positionering (o.a. van een paard), halte’ [929; Corominas], afleiding van parár ‘doen halthouden, plaatsen, positioneren’ [midden 10e eeuw; Corominas] < Latijn parāre ‘gereedmaken’, zie → paraat.
hitparade zn. ‘ranglijst van best verkochte populaire platen’. Nnl. hitparade ‘overzicht van best verkochte muzieknummers’ [1956; Van der Sijs 2001]. Ontleend aan Amerikaans-Engels hit parade [1958; OED], samenstelling van → hit ‘succesnummer’ en parade in de betekenis ‘opstelling in volgorde, het in gelid voorbij (laten) marcheren’. In Nederland verscheen de Hitparade op 2 juli 1949 op de radio; de Engelstalige voorganger Your Hit Parade liep van 1935 tot 1959 (Wikipedia).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

parade [vertoon, wapenschouw] {1617} < frans parade [het stilhouden van een paard, staatsie, vertoon, vertoning (bv. voor een kermistent), parade] < spaans parada [halteplaats, pleisterplaats voor paarden, parade], van middeleeuws latijn parata [toebereidselen, verplichte leverantie], van latijn paratus [toebereidselen, schitterende uitrusting, praal], van parare [toebereidselen maken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

parade znw. v. eerst na Kiliaen < fra. parade (sedert de 16de eeuw) eig. ‘het inhouden van het paard’ < spa. parada ‘stilstaan, oponthoud’ van parar ‘intomen’ < lat. parāre ‘zich voorbereiden’. In het spaans ging de bet. over ‘afweren’ > ‘tot stilstand brengen’ > ‘stilstaan’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

parade znw., nog niet bij Kil. Internationaal woord, in de germ. talen op fr. parade, spa. parada teruggaand, een afl. van ’t ww., dat in ’t Lat. parâre (“gereedmaken, uitrusten” enz.) luidt en waarop via fr. parer mnl. parêren “gereedmaken, opsieren” teruggaat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

parade. Sedert het begin van de 17e eeuw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S. Joubert en N. van der Sijs (2020), ‘Antilliaans-Nederlandse woorden en hun herkomst’, in: Trefwoord, november 2020

parade carnavalsoptocht in prachtige kostuums op Curaçao; tijdens het Curaçaose carnaval zijn er verschillende parades of optochten: het begint met een Paardenparade, gevolgd door een Kinderparade (voor basisscholen), Tienerparade (voor middelbare scholen), met als hoogtepunt de Grote Parade ofwel in het Papiaments de Gran Marcha, waarna het carnaval wordt afgesloten met de Grote Afscheidsparade. In het Europees-Nederlands werd parade gebruikt voor ‘vertoon, defilé’, maar niet voor ‘feestelijke optocht’; in het Engels is dit wel de gewone betekenis, en die betekenis zal het Papiamentse parada aan het Engels hebben ontleend; ook in het Europees-Nederlands dringt deze betekenis momenteel door vanuit het Engels.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

parade s.nw.
1. Seremoniële inspeksie en verbymars van troepe. 2. Plek, dikw. 'n plein, waar sodanige inspeksie en verbymars plaasvind of vroeër plaasgevind het.
Uit Ndl. parade (1617 in bet. 1).
Ndl. parade uit Fr. parade in die vroeëre bet. 'inhou van die perd, vertoon, vertoning'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

parade: wapenskou; oefenplein; uiterlike vertoon; Ndl. parade (na Kil) uit Fr. (16e eeu) parade, “inhou v. d. perd”, uit Sp. parada, “stilstaan” (uit ww. parar, “intoom”) uit Lat. parāre, “voorberei”, verb. m. Eng. parade en (pre)pare.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

parade (Frans parade)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

parade ‘ceremoniële inspectie’ -> Indonesisch parade, perada ‘ceremoniële inspectie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

parade ceremoniële inspectie 1617 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal