Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paljas - (strozak, strobed; potsenmaker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

paljas zn. ‘strozak, strobed; potsenmaker’
Vnnl. matrassen ende paillassen ‘matrassen en strozakken’ [1673; WNT]; nnl. paljas ‘hansworst’ in de paljas in het marionettenspel [1816; WNT], ook nog paljasse ‘in de stal gespreid stro’ [ca. 1850; WNT], paljas ‘lachwekkend persoon’ in deze paljas ... 'n Kamerlid [1873; WNT voorlichten I].
In de betekenis ‘strozak’ ontleend aan Frans paillasse ‘strozak’, eerder al pailace ‘id.’ [ca. 1250; TLF], afleiding met het Franse achtervoegsel -ace, -asse (dat behalve pejoratieve en vergrotende waarde (zie → barkas) ook de meer technische betekenis ‘gemaakt van, bestaande uit’ kan hebben) van paille ‘stro’ < Latijn palea ‘stro, kaf’. In de betekenis ‘potsenmaker’ ontleend aan Frans paillasse ‘hansworst, potsenmaker’ [1798; TLF], dat zelf vermoedelijk ontleend is aan Italiaans pagliaccio ‘potsenmaker, clown’, afleiding met het achtervoegsel -accio van paglia ‘stro’ < Latijn palea ‘stro, kaf’. De betekenis ‘hansworst’ zou (FvW, NEW, Toll., EDale) herinneren aan een met stro opgevulde of opgetuigde hansworst; aannemelijker is dat de naam aan een goochelaar of kunstenmaker werd gegeven, omdat hij gekleed was in een kostuum van ecrukleurige tijk, die aan een strozak deed denken (TLF, Rey).
Latijn palea ‘stro’ is verwant met: Grieks pálē ‘fijn meel’; Sanskrit pálā́va- ‘kaf, stro’, Litouws pelūs, Oudkerkslavisch plěvy ‘kaf’; < pie. *peHl-/*polH- ‘poeder, stof’ (IEW 802).
pias zn. ‘(NN) hansworst’. Nnl. pias ‘clown, hansworst’, letterlijk in Pias sprong op een der stoelen [1871; WNT], figuurlijk in wat 'en rare pias ben je toch [1897; WNT]. Eveneens ontleend aan Frans paillasse ‘potsenmaker’. De oudere Nederlandse vorm paljas bevat nog de -lj- van de gemouilleerde -l- in ouder Frans paillasse en Italiaans pagliaccio; de jongere vorm pias gaat terug op de moderne Franse uitspraak /pajas/, waarbij de ook in het Nederlands oorspronkelijk onbeklemtoonde -aj- veranderde in -ej- met toonloze -e- en daarna in -i-. Ook in de betekenis ‘stro, strohoop’ komt pias dialectisch wel voor, bijv. in brand ... in een pias [1912; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paljas [strozak] {1673 in de betekenis ‘strozak’; de betekenis ‘hansworst’ 1816} < frans paillasse [stromatras, paljas] < italiaans pagliaccio [strozak, stropop], van paglia [stro] < latijn palea [kaf, stro] + -accio (< latijn -aceus), pejoratief achtervoegsel, dus: lelijke stropop; in het Napolitaans volkstheater was pagliaccio een oorspr. met stro opgevulde hansworst → pias1, 2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paljas znw. m., eerst na Kiliaen < fra. paillasse ‘strozak’ < ital. pagliaccio < vulg. lat. *paleaceum ‘stro’, afgeleid van palea (waaruit fra. paille). Later ging het woord betekenen ‘met stro opgevulde hansworst’. Zie: pias.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paljas znw., nog niet bij Kil. Uit fr. paillasse “stroozak”, dan “met stroo opgetuigde hansworst”. Van fr. paille “stroo” (< lat. palea “kaf). Zie pias.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paljas 1 v. (stroozak), uit Fr. paillasse, een afleid. van paille = stroo: z. palie.

paljas 2 m. (hansworst), uit Fr. paillasse, hetz. w. als waarvan paljas 1. De paljas was in paljassendoek gekleed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

paljas, peljas, piljas, poljas, peias, zn.: hansworst, harlekijn, niet ernstig te nemen mens; strozak, matras op de grond, noodmatras; dikke winterjas. Fr. paillasse ‘stromatras, paljas’ < It. pagliaccio ‘strozak, stropop’, pej. afl. van paglia ‘stro’ < Lat. palea ‘stro’. In het volkstheater van Napels was de pagliaccio nl. een in veelkleurig geruite matrastijk geklede hansworst of kunstenmaker. Deze betekenis kreeg nog steun door de opera van Ruggiero Leoncavallo I Pagliacci (1892). In ‘strozak’ steekt nog de oorspronkelijke betekenis. Paljas/peljas heeft nog de oorspr. gemouilleerde l. Peias, zoals Ndl. pias, is een jongere ontlening, toen de Fr. uitspr. al pajas was.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

paljas, pias, plias, zn.: hansworst, harlekijn; strozak, matras op de grond. Fr. paillasse ‘stromatras, paljas’ < It. pagliaccio ‘strozak, stropop’, pej. afl. van paglia ‘stro’ < Lat. palea ‘stro’. In het volkstheater van Napels was de pagliaccio nl. een in matrastijk geklede hansworst.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

paljas (B, G, L, W, ZO), pajasse (G, ZO), zn. v.: hansworst, harlekijn; strozak, matras op de grond. Met de uitspr pias (ZO), Wvl. pojas, alleen in de bet. 'clown, iemand die je niet ernstig neemt, onbetrouwbare kerel'. Fr. paillasse 'stromatras, paljas' < It. pagliaccio 'strozak, stropop', pej. afl. van paglia 'stro' < Lat. palea 'stro'. In het volkstheater van Napels was de pagliaccio nl. een in matrastijk geklede hansworst.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1paljas s.nw. (verouderd)
Hanswors.
Uit Ndl. paljas (1816). Ndl. paljas het aanvanklik 'strooisak' beteken (1673). Omdat grapmakers hulle dikw. met strooi optooi, het die woord die bet. 'hanswors' gekry.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

paljas matras waarop men op de grond slaapt, strozak (Zuid-Nederland). « fra. paillasse. afl. van fra. paille ‘stro’ (‹ lat. palea ‘kaf’, later: ‘stro’).
Goemans 344.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

plaais (DB), zn. o.: stromatras of kafzak op de grond als voorlopige slaap-gelegenheid. Fr. paillasse par terre. Samentrekking uit Fr. paillasse, afl. van paille ‘stro’.

pojas, zn. m.: paljas, hansworst. Adaptatie van Fr. paillasse, afl. van paille stro’, omdat de hansworst van een reizend toneelgezelschap gekleed was in matrastijk.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

paljas I [+]: grappemaker, hanswors; Ndl. (na Kil) paljas, “strooimatras”, (later) “met strooi getooide hanswors, (dan) hanswors”, uit Fr. paillasse (afl. v. paille, “strooi”), It. paglia, Lat. palea, “kaf”, Gr. pallein, “tril”, hou verb. m. polenta (q.v.), “pap” en m. Eng. pollen, “stuifmeel”.

paljas II: – poljas – , toormiddel; Mal. pelijas, “toormiddel” – die Kaapse Maleiers staan nog bek. as toornaars (dan gew. Slamaiers genoem).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

paljas: iemand die men moeilijk ernstig kan nemen; iemand die voortdurend de gek uithangt, die zich dwaas gedraagt. Eigenlijk: een met stro opgetuigde hansworst. Sedert 1816. In de betekenis van ‘strozak’ dateert het woord al van ca. 1673. Het is ontleend aan het Franse paille (stro). Paillasse betekent ‘stromatras, paljas’. De betekenis heeft zich dus ontwikkeld via ‘bundel stro’ en ‘stropop’ tot pias*. Dit sluit overigens niet uit dat het Nederlandse woord jas invloed heeft gehad. Het komt immers voor in talrijke samenstellingen zoals grapjas, hangjas*, lorejas*, vechtjas enz.

Ja, de meeste politici zijn goochelaars… echte paljassen. (Marcellus Emants, Inwijding. Haags leven, 1901)
Dit is nodig, want voor de verdere avond zijt ge hun dienaar, hun slaaf, hun speelbal, hun paljas, hun schietschijf, hun harlekijn. (Godfried Bomans, Capriolen, 1953)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

paljas (Frans paillasse)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Paljas (= stroozak), fr. paillasse, van paille = stroo. Om het ruime, of ’t geruite pak, dat de hansworst droeg, kreeg hij den naam paljas (men denke aan de blokjes-overtrekken?).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paljas ‘hansworst, acrobaat, clown, zot’ -> Sranantongo payasi(man) ‘hansworst, acrobaat, clown, zot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paljas hansworst 1816 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal