Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paf - (geluid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

paf 1 tw. voor de klank van een plotselinge, doffe slag
Nnl. Paf, daar lag hy [1782; iWNT].
Klanknabootsend woord, zoals ook piefpaf(poef), pifpaf. Zie ook → poef 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paf1* [geluid] {1786} klanknabootsende vorming.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

paf

Het woord paf is natuurlijk een klanknabootsing, zoals blijkt uit pief, paf, poef. In vele gevallen en vooral wanneer het betrekking heeft op iets zwaars dat plotseling omvalt, gebruikt men thans niet meer paf, maar pats. Wolff en Deken echter schrijven nog over Goliath die door David geveld wordt: Paf, daar lag hij.

De zegswijze paf staan is ontleend aan de Duitse studententaal, waarin paff sein betekende: sprakeloos zijn, als het ware verdoofd door de luide knal. Ook komt paf voor in de zin van: opgeblazen, opgezet. Meestal zegt men: pafferig. Eigenlijk is dit: ‘Het geluid makend dat een volledig verzadigd mens voortbrengt’, dus: een boer laten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paf is een klanknabootsend woord voor een geluid als een knal. Vandaar ook als znw. ‘slag’ (die zulk een geluid voortbrengt). De uitdrukking paf zijn, staan bevat het woord in de zin van ‘verbijsterd’ (misschien in de studententaal < nhd. paff, baff sein). — Dan is er de bet. ‘opgezet, dik’, die wel zal zijn ontstaan, doordat mensen die te veel gegeten hebben de adem plegen uit te stoten vgl. ook het ww. paffen ‘schieten; hoorbaar roken’.

De bet. ‘opgezet, dik’ kan echter ook in een andere richting wijzen, want hier kan men herinneren aan de onder pampelen 1 genoemde woorden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paf tusschenw. en znw. = “slag” en in paf staan. Klanknabootsing. Ook paf bnw. (waarvan paff(er)ig) en paffen “opzetten” zijn ontstaan door nabootsing van het geluid, dat een ten volle verzadigde mensch of een opgeblazen voorwerp voortbrengt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

paf. W.de Vries Tschr. 38, 274 vermoedt, dat paf staan, zijn naar het voorbeeld van nhd. paff (baff) sein is opgekomen. De dial. verbreiding (ook zuidndl.) pleit daar niet voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paf tuss., bijv. en m., + Hgd. paff: onomat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paf ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ ->? Deens blive paf ‘paf staan’; Noors stå paff ‘paf staan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paf* tussenwerpsel: nabootsing van geluid 1717 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal