Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pad - (kikvorsachtige)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pad 2 zn. ‘kikvorsachtige (familie Bufonidae)’
Mnl. padde ‘pad’ [1240; Bern.], padden die venijn draghen ‘padden die vergif in zich hebben’ [1287; VMNW], oostelijk ook wel pedde [1477; Teuth.].
Mnd. padde, pedde; oe. padde, pad (ne. dial. pad, paddock); on. padda (nzw. padda); alle ‘pad’, < pgm. *paddō-.
Verdere etymologie onbekend. Verband met vnnl. pad, patte ‘voetzool’ [1599; Kil.], nnd. pad ‘voetzool’ en ne. pad o.a. ‘voetzool; vingerkussen’ (NEW) is zeer onwaarschijnlijk: al deze woorden zijn jong en de vergelijking berust op een wel zeer algemene grondbetekenis ‘iets diks, ronds’. Weinig wrsch. is ook verwantschap van dit Germaanse woord met Grieks bátrakhos ‘kikker’: dit is een leenwoord uit een voor-Griekse taal en/of een klanknabootsing; indien het verwant zou zijn, kan het alleen de pgm. *p < voor-Germaans *b verklaren. Mogelijk is er verband met de wortel *paþ- van → paling en → poon. Ten slotte kan het woord ook klanknabootsend of klankexpressief zijn.
De gewone namen voor de ‘pad’ in het Duits en Engels zijn resp. Kröte en toad, beide eveneens met onbekende etymologie en zonder verwanten in andere talen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pad2* [kikvorsachtige] {padde 1201-1250} middelnederduits padde, oudengels pad(de), oudnoors padda; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pad 2, padde znw. v. diernaam, mnl. padde v., zelden pedde (vgl. achterh. pedde), mnd. padde, pedde v., oe. padde, pad v. ‘pad, kikvors’ (ne. paddock), on. padda.

Een westelijk woord, want ook in het nd. tot het Westen beperkt; waar het oostelijk voorkomt, moet men rekenen met nl. invloed, vgl. Teuchert, Sprachreste 1944, 342-5). — De etymologie is onzeker. 1. men kan verbinden met mnd. pad ‘voetzool’, ne. pad ‘bal onder de voetzool van dieren’ en het ww. nnd. padden ‘lopen’, pedden ‘stappen’, paddeln ‘trippelen’ (waarvoor zie echter ook: pad 1.) Zo FT 810. In dit geval mag men wel aan een grondbet. ‘iets diks, ronds’ denken en dan verder verbinden met ne. pat ‘klein klompje’, nijsl. patti ‘klein kind’ en met andere anlaut ouderde. arsbatte ‘bil’, nzw. dial. batt ‘hoopje’. Of men deze woorden dan verder verbinden mag met oi. badυa-m ‘troep, hoop’, osl. bedro ‘dij’, arm. port ‘navel, buik’ (IEW 96) is zeer twijfelachtig. Eerder is te denken aan een klankwoord, vgl. nzw. dial. patte naast pappe ‘vrouwenborst’, waarnaast weer mhd. buoben mv. ‘vrouwenborst’ en westvla. babbe ‘gezwel’. — Uhlenbeck PBB 22, 1897, 199 legde verband met gr. bátrachos ‘kikvors’, maar het is zeer te betwijfelen of wij hier aan een idg. erfwoord mogen denken. — Naast pad staan nog andere namen voor dit dier in het westgerm. en wel 1. mnd. krōde, ohd. chrota, chreta (nhd. kröte), dat men ook met gr. bátrachos verbinden wil en 2. oe. tādige, ne. toad. — Een kaart van de woorden voor de ‘pad’ geeft K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederland Nr. 16. — Het nl. padde is in de 12de eeuw overgebracht naar de Brandenburgse Mark en reikt vandaar tot over de Oder, vgl. Teuchert Sprachreste 340-344 en kaart 42.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pad II, padde (dier), dial. (achterh.) pedde, mnl. padde v., zelden pedde. = Teuth. pad, ped, pedde, mnd. padde, pedde v., (eng. paddock) “pad”, on. padda v. “kikvorsch”. Men heeft gr. bátrakhos, báthrakos, brótakhos “id.” vergeleken, uitgaande van een idg. basis bhadh-: hoogst onzeker, evenals de combinatie van brótakhos, bátrakhos met Teuth. crade, ohd. chrota, chrëta (nhd. kröte), mnd. kröde v. “pad”. Een derde synoniem, eveneens zonder bevredigende etymologie, is ags. tâdi(g)e v. (eng. toad) “pad”. Voor andere (wsch. jongere) synoniemen vgl. bij pudding en pok.

[Aanvullingen en Verbeteringen] pad II. Adde: ags. pad(d)e v. “pad” of “kikvorsch”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pad II, padde. Voor “(eng. paddock)” invoegen: ags. pad(de) v. ‘pad, kikvors’ (v.Wijk Aanv.).
Op ndd. gebied is het woord tot het W. beperkt; waar het oostelijker voorkomt (mark Brandenburg), is het blijkbaar door ndl. immigranten aldaar ingevoerd: Teuchert ZsfdeuMua. 18, 174 vlgg.
Weinig bevredigend is de combinatie van Persson Beitr. 263 met lat. bassus ‘vet’ (ss < tt) en de slav. groep van russ. boteť ‘dik, vet worden’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pad 2 v. (dier), Mnl. padde + Hgd. (schild)patt, Ags. padde, Eng. paddock, On. padda (Zw. id., De. padde): z. puit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

pedde, ped, perre, zn.: pad (kikvorsachtige). Mnl. padde, (oostelijk) pedde ‘pad’, Mnd. pedde. Perre, zoals Br. parre, door intervocalische wisseling dd/rr (Pauwels 1941). Herkomst onzeker.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

pedde, ped, perre pad (dier) (Gelderland/Overijssel, Noordoosten van de prov. Luik, Limburg). = mnl., mndd. pedde ‘id.’. ~ pad (maar wschl. van een stam met oorspr. j achter d), eng. dial. paddock ‘id.’, ono. padda ‘id.’. Wschl. substraatwoord gezien de p-. Mogelijk echter ~ gr. bátrakhos ‘kikvors’.
Roukens 382-384, krt. 82, TON krt. 16, NEW 500-501, J. de Vries 1962, 422.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

padda: – (dial.) parra/(plat) parrak – , bep. amfibie (spp. Rana); Ndl. pad/padde (Mnl. padde, dial. o.a. pedde en pod), Eng. (dial.) pad en in paddock, herk. onseker (v. dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

pad: (vaak voorafgegaan door vuile of vadsige) kort, dik iemand; lelijk, opgezwollen persoon. In Vlaanderen ook gebruikt voor een slordige of luie vrouw.

Padde. Schimpnaam, een slordig en vadsig wijf. O! gij vuile padde. (Amaat Joos, Waas Idioticon, 1900-1904)
Dit waren de ogenblikken dat hij zichzelf haatte, dat hij dacht: vuile pad, stiekeme smeerlap, ga naar huis met je gore hoofd. (Jan de Hartog, Gods Geuzen, 1947-1949)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Echte padden ̶ Bufonidae
Echte padden zijn kikkerachtigen met vrij korte achterpoten en een met wratten overdekt lichaam. Ze beschikken over een groot aantal klieren die achter/boven de trommelvliezen liggen. Daarmee ‘zweten’ ze, als ze zich bedreigt voelen, een sterke onwelriekende lucht uit: vandaar het volksgeloof dat padden gevaarlijke, giftige dieren zouden zijn.
Lokale naamvarianten zijn ondermeer pad(de), pod of podde (Friesland, Noord-Holland), parre of perre (Achterhoek) en ped, pedde of petje in de omgeving van Weert. In Geldrop spreekt men van paddekeur. Hierbij is het element ‘keur’ een afleiding van het werkwoord kuieren (= lopen, rustig wandelen). Dit omdat een pad zich, in tegenstelling tot een kikker, niet met sprongen, maar min of meer ‘kuierend’ voortbeweegt.
Ten zuiden van de grote rivieren worden ze meestal krod, krodde, kroddel (Limburg) en kroedel genoemd. Vermoedelijk zijn deze namen verwant met het Duitse woord Kröte, dat pad betekent. Zie ook gewone pad.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Vliegende Krodde Vliegende Pad Volksnamen voor de Nachtzwaluw ↑, verwijzend naar het geluid, dat men vond overeenkomen met een Krodde = Pad; ws. heeft men daarbij gedoeld op de ‘ratel’ van de Rugstreeppad Bufo calamita. F Crapaud volant (F volant ‘vliegend’, Crapaud ‘Pad’) (naar de lage gedrongen vorm, als van een Pad, ook: F crapaud = ‘lage leunstoel’). De friese volksnaam Podûle (= letterlijk ‘Paduil’) combineert het Paddengeluid met de nachtelijke leefwijze (als van een Uil). Ook bestaat de N volksnaam Vliegend Spinnewiel. Deze naam is een metonymia.
ETYMOLOGIE N Pad <mnl pad(de), pedde; achterhoeks Pedde, Padde; westfries/fries Pod, Podde (misschien niet verwant? vgl. Weijnen 1996 sub pôdde = ‘vuiligheid’); mnd Padde, Pedde; oudengels pad, padde; ijslands/noors/ zweeds Padda, färøers/deens padde <oudnoords padda. ?>pad, patte (= ‘voetzool’ (Kiliaan)) en dan <F patte (vgl. poot sub Geelpootruiter). Ws. geen verwantschap met N puit en nederduits Pogg(e) ‘opgezwollen dier’, waarvan de etymologie veel verder terugvoert. (Padde en pogge komen bij elkaar in oostfries poggenstol ‘paddestoel’ (vgl. idg *bu- sub Pongmieske).
Voor de etymologie van Krodde zie Krodde.
N ww. vliegen <mnl vliegen <oudnederfr fliugon; fries fleane <oudfries fliaga; D fliegen <mhd vliegen <ohd fliogan, fliugan; mnd vlegen (zie Vleegnsnappert); E fly <middelengels flien <oudengels flēogan; zweeds flyga, deens flyve, noors fly, nynorsk fljuga, ijslands flúga <oudnoords fljúga; <idg *pleuk <idg *pleu ‘vloeien, stromen, meedrijven met de stroom; gieten, schenken’.
Vlieden en vliegen zijn verwante werkwoorden met een gemeenschappelijk znw. ‘vlucht’. Het ww. vlieten is ook verwant. Vgl. D fliehen, fliegen en fließen; E flee, fly en flow. Litouws plaukti ‘zwemmen’ geeft misschien het oer-idee van ‘vliegen’ weer: ‘zwemmen in de lucht’.
N vleugel <mnl vlogel, vluegel <mhd vlügel, is afgeleid van de stam van ‘vliegen’ met achter- voegsel -el.
N vogel is etymologisch ws. wel verwant, maar is vooralsnog niet probleemloos in de etymologie van ‘vliegen’ in te passen. Zie Vogel.
N vlerk, vleder, vleer (in Vleermuis) is verwant met ‘fladderen’, welk ww. eveneens vooralsnog moeilijk met ‘vliegen’ kan worden verbonden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pad ‘kikvorsachtige’ -> Duits Padde ‘kikvorsachtige, (dialect) parkwachter, parkeerwachter’; Zuid-Afrikaans-Engels padda ‘kikvorsachtige, vissensoort’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pad* kikvorsachtige 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal