Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pad - (weg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pad 1 zn. ‘smalle weg’
Onl. path ‘pad, smalle weg’ in het toponiem Ulrepath [1135; Gysseling 1960]; mnl. pat, onder invloed van de verbogen naamvallen ook paet ‘voetpad’ [1240; Bern.], dat si laten Den rechten wech ... Ende omme gaen die valsche pade ‘dat ze de goede weg verlaten en gaan over de verkeerde paden’ [1265-70; VMNW], dat ghi hout desen seluen pat dien ghi ons siet comen ghegaen ‘dat u hetzelfde pad aanhoudt als waarover u ons hebt zien aankomen’ [1276-1300; VMNW].
Mnd. pat; ohd. pfad (nhd. Pfad); ofri. path; oe. pæð, pað (ne. path); alle ‘smalle weg’, oe. ook ‘vallei’; < pgm. *paþa-. In het Noord-Germaans komt het woord o.a. voor in de Zweedse provincienaam Medelpad (ozw. i Meþalpaþa ‘in M.’); Fins pade ‘vallei’ (< ‘pad’?) is wrsch. een oude Germaanse ontlening.
Verdere herkomst onduidelijk. Pgm. lijkt het resultaat van de Germaanse klankverschuiving van pie. *t, maar dan moet pgm. *p teruggaan op pie. *b, een klank waarvan het bestaan onzeker is. De gelijkenis met Grieks pátos ‘weg, pad’, Avestisch pantā (genitief paþō, Oud-Perzisch pathi-) ‘id.’ is treffend; men neemt dan ook meestal aan dat dat woord ontleend is aan een Iraanse taal (Mayrhofer 1970), ondanks het bezwaar van de geografische afstand (maar zie → ros). Deze woorden zijn verder nog verwant met: Latijn pōns (genitief pontis) ‘brug’ (zie → pont); Sanskrit pánthā- ‘pad, weg’; Oudpruisisch pintis ‘id.’; Oudkerkslavisch pǫtĭ ‘id.’ (Russisch put' ‘weg, reis’); < pie. *pont-, ablautend bij de wortel *pent- ‘gaan, arriveren’ (IEW 808-809), waarbij in het Germaans ook → vinden. Ontlening aan Gallisch *pant- (Bynon 1966, vergelijk Welsh pant ‘vallei’) kan de Germaanse medeklinkers verklaren, maar niet de klinker: men zou een lange klinker verwachten. Weinig wrsch. is ook de aanname van Kuhn (1961) dat pgm. *paþa- ontleend is aan een voor-Germaanse, maar wel Indo-Europes substraattaal en dan verwant is met → voet.
Lit.: Kuhn 1961, 4; T. Bynon (1966), ‘Concerning the Etymology of English Path’, in: Transactions of the Philological Society 65, 67-87; M. Mayrhofer (1970), ‘Germano-Iranica’, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 84, 224-230; A. Greule (1980), ‘Neues zur Etymologie von nhd. Pfad’, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 94, 208-219

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pad1* [weg] {pat 1201-1250} oudhoogduits pfad, oudfries path, oudengels pæð; verband met grieks patos [pad], oudiers path is denkbaar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pad 1 znw. o. ‘weg’, mnl. pat m. o., mnd. pat m., ohd. pfad m., ofri. path o., oe. poeð, pað m. (ne. path). Hiernaast staan verder mnd. pedden ‘stappen’, ohd. pfadōn ‘gaan, stappen’, oe. pæððan ‘gaan over iets’, vgl. nog oud-nnl. napaden ‘nasporen’. De germ. grondvorm *paþa- is in het fins als pade ontleend (volgens T. E. Karsten, Die Germanen 1928, 195). — De herkomst is ‘onzeker’; daar het avest. het woord paθ- ‘weg’ bezit, is het verleidelijk aan te nemen dat het uit een iraans dialect zou zijn overgenomen (IEW 809), maar dit zou dan alleen tot het west-germ. beperkt zijn gebleven. Daarom is eerder te vermoeden, dat het uit een Westeuropese substraattaal afkomstig is. — > ne. dial. pad (sedert 1567, volgens Bense 260).

H. Kuhn, ZfdMa 28, 1961, 4 denkt aan een onbekende idg. substraattaal en wil het woord verbinden met idg. *ped, *pod ‘voet’; dan dus met onverschoven p.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pad I (weg) znw. o., mnl. pat (d) m. o. = ohd. (nhd.) pfad m., mnd. pat m., ofri. path o., ags. pæð, pað m. (eng. path) “pad”. Hierbij ohd. pfadôn “gaan, stappen”, mnd. pedden “stappen”, ags. pœððan “gaan over iets”, oudnnl. (16. eeuw) na-paden “nasporen”. Oorsprong onzeker. De combinatie met lat. battuere “slaan” (> fr. battre) is dubieus, aangezien dit veeleer een ontleend kelt. ww. is (vgl. kymr. bathu “slaan”) met b uit idg. bh. De bet. is geen bezwaar: “weg, pad” zou op een oudere bet. “het uitgehouwene, uitgeslagene” of “het betredene, met de voeten geslagene” kunnen teruggaan. Ook de combinatie met lat. baeto “ik ga” (waarbij nog ier. fo-bîth “wegens”, dor. bou-bẽtis “veeweide” gebracht zijn) is onzeker, aangezien een secundaire ablaut (i)t-: bət- wel mogelijk, maar altijd toch onzeker is en aangezien voor baeto ook andere etymologieën denkbaar zijn. Een combinatie alleen met ier. fo-bîth (î > idg. ê) is niet onmogelijk, maar hoogst onzeker: de bet. “wegens” zou ook op een andere grondbet. kunnen teruggaan dan “onderwege, van wege” of iets dgl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pad 1 o. (voetpad), Mnl. pat + Ohd. pfad (Mhd. pfat, Nhd. pfad), Ags. pæđ (Eng. path), Ofri. path: verband met Zend path, Gr. pátos, Oier. path = pad, is waarschijnlijk doch niet duidelijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

paad (zn.) pad, weggetje; Aajdnederlands path <1135>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pedeken, zn. dim.: paadje, voetpad; glijbaantje. Uit Mnl. padekin, dim. van pad.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pad s.nw.
1. Smaller, nie voorbereide strook grond waarop gery of geloop kan word. 2. Roete om op 'n plek te kom, of afstand tussen twee plekke. 3. Lewenswyse. 4. Breë strook grond wat vir die gebruik van openbare voertuie voorberei is. 5. Deurgang. 6. Metode om iets te bereik.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. pad (al Mnl.). Bet. 4, 5 en 6 het miskien in Afr. self ontwikkel. In Afr., soos Scholtz (1947: 35) opmerk, is die woord weg feitlik deur pad verdring. In sekere Ndl. dialekte word pad egter alg. vir weg gebruik (ibid.); vgl. ook die aanhaling in die WNT van Cats (1726): 'En, straks is al de pad tot rijden onbequaem'. Die Afr. toepassing van pad word reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) aangetref (Scholtz 1965: 184). Samestellings met pad wat reeds vroeg geskep is, is padkos (1750) en padmaker (1798).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pad: strook grond waaroor verkeer m. vee en/of voertuie geskied; weg; ruimer toep. as i. Ndl. waar pad ong. = “nie-gemaakte verkeersgang” teenoor “gebaande weg”, maar reeds by vRieb in Afr. toep. (vgl. Kloe HGA 305 en Scho TWK/NR 7, 2, p. 18, 35 waar ook verkl. word dat padgee en pad verloor nie Angme. in Afr. is nie).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pad ‘weg’ -> Engels pad ‘weg; straatroof; struikrover; licht lopend paard, telganger’; Schots pad ‘voetpad, smal spoor, smalle weg; (in plaatsnamen) een route over een natuurlijk obstakel’; Esperanto pado ‘smalle land- of bosweg’ <via Engels>; Negerhollands pad, pat ‘weg’; Berbice-Nederlands pata ‘weg’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pad* weg 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

877. Heg (of weg) noch steg weten,

d.w.z. in het geheel den weg niet weten, ergens geheel onbekend zijn. In het oostfri. hê kend gên weg of steg. Onder een steg verstaat men in het oostfri.: een plank over een sloot (Ten Doornk. Koolm. III, 305 b); in West-Friesland een smal bruggetje, vlonder (De Vries, 98); in Drente is een steg een pad, een weg (Archief I, 350); vgl. het mnl. stech, nhd. steg, mnd. stech, voetpad of plank over eene sloot. De uitdrukking komt voor in Van Homulus een Schoene Comedie (VI. Bibliophilen, 2e Serie no. 6), bl. 40:

Ick moet reysene en verre oncondige wech
Nu desen nacht, en weet niet wech noch stech.

Vgl. verder Landl. 88: Weg noch steg weten; Ppl. 159: Hij weet hier heg noch steg; Gunnink, 239: Geen weg of stek weten; Nkr. IV, 28 Aug. p. 5: Zij vonden in 't lastige doolhof van streken geen weg of steg. Zie Antw. Idiot. 172: van pad of baan weten, pad noch baan vinden; en bl. 519: haak noch staak weten. Vgl. ook over heg en steg, mnl. over stock ende (over) steen, door dik en dun; in Limb. over hok en blok; huik en struik ('t Daghet VIII, 65); bij Rutten, 220: over hok en stok loopen (vgl. eng. over stock and block); Joos 54: over beek en gracht, over heg en haag; deur hei en schavei loopen (Waasch Idiot. 571).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal