Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paal - (stuk hout)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

paal zn. ‘langwerpig stuk hout e.d.
Onl. pāl als toenaam van riquardo pal [1123; ONW]; mnl. als toenaam van Woitin van der pale [1270; VMNW], pael, pale ‘paal, zuil, grenspaal’ in Die pael sette ‘wie een grenspaal plaatst’ [1275-76; VMNW], overdrachtelijk ‘grens’ in dy pael der graefschape van Gelren ‘de grenzen (mv.) van het graafschap Gelre’ [1318; MNW], hare pale ‘haar oppervlakte’ [1330; MNW].
Vroege ontlening aan Latijn pālus (verkleinwoord paxillus) ‘paal’, dat wrsch. teruggaat op een oudere vorm *pak-slos en verwant is met het werkwoord pangere ‘in de grond slaan, bevestigen’, zie → palet.
Evenzo ontleend zijn: os. pāl (mnd. pāl); ohd. phāl (nhd. Pfahl); ofri. pāl, pēl (nfri. peal); oe. pāl (ne. pole naast pale ‘grens’); on. páll (nijsl. páll; maar nzw. påle is ontleend via het mnd.); alle ‘paal’.
Palen dienden veelal tot het afbakenen van een territorium of perceel. Daardoor kon overdrachtelijk de betekenis ‘grens’ ontstaan. Deze is inmiddels verouderd, maar nog zichtbaar in de uitdrukking paal en perk stellen ‘grenzen vaststellen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paal1 [stuk hout] {pael 1285} oudsaksisch, oudengels pal, oudhoogduits pfal, oudnoors páll < latijn pālus [paal, staak]. In de uitdrukking paal noch perk kennen [niet te beteugelen zijn] betekent paal ‘grenspaal’ en perk ‘grens’ (vgl. palissade).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paal 1 znw. m., mnl. pael, evenals os. pāl, ohd. pfāl (nhd. pfahl), oofri. pēl, oe. pāl (ne. pole), reeds voor de hoogd. klankverschuiving < lat. pālus (< *pak-slos) van de wt. *pag, *pak ‘vastmaken’, waarvoor zie: vangen.

Het owfri. pāl is blijkens de klinker een jongere ontlening; het on. pāll stamt < oe. pāl. — De overname kan men stellen ten laatste in de 3de eeuw, want met lat. pālus werd de palissade aangeduid, die voor de limes-bevestiging gebruikt werd en de limes werd in het begin der 3de eeuw door een muur vervangen, terwijl in 259 de limes in Opper-Germaniē reeds in handen van de Germanen gevallen was. Met de Romeinse bouwtechniek kwam het woord ook in de betekenis van ‘paal’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paal znw., mnl. pael m. = ohd. pfâl (nhd. pfahl), os. pâl, oofri. pêl, owfri. (wellicht een jongere ontl.) pâl, ags. pâl (eng. pole; pale uit ’t Ofr.), on. pâll m. “paal”. Ontl. (op ’t continent vóór of tijdens de hd. klankverschuiving) uit lat. pâlus “id.”. Voor andere ontleende bouwtermen zie muur I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paal 1 m. (staak), Mnl. pael, gelijk Hgd. pfahl, Eng. pale, Fr. pal, uit Lat. palum (-us), d.i. *pag-lus, van denz. wortel als pangere == vastmaken (z. vangen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

paol (zn.) paal; Vreugmiddelnederlands pael <1275> < Latien palus.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

paal s.nw.
1. Lang en stewige stuk hout, ook yster of klip, wat in die grond geplant word. 2. Grens. 3. (heraldiek) Breë, loodregte streep oor die middel van 'n wapenskild.
Uit Ndl. paal (al Mnl.).
D. Pfahl, Eng. pole.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. paal (de, mv.?), uit bamboeschotten opgebouwde, fuikachtige constructie, waarin opgedreven vissen worden verzameld. De afvissing geschiedt bij de trek van de vis naar vers binnenkomend vloedwater. De vis wordt opgevangen in een bamboefuik, een zogenaamde paal (zie foto) (Gids 60). - Etym.: Vgl. veroud. E pale = omheining. Het is niet duidelijk of er verband is met parel* (II).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

paaltje stuk roggebrood. In deze betekenis in 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke geeft als voorbeeldzin: ‘Krijg ik vanavond je paaltje.’ Paaltje behoorde tot het gevangenisjargon.
— ‘Koffie,’ zegt de oude boer, ‘die krijg je niet, maat. Morgenochtend voor het eerst een kroes warm water met een scheutje melk er in. Daar ken je je “paaltje” dan in soppen.’ ‘Paaltje?’ vraag ik aan den nieuwen man. ‘Ben jij zoo groen?’ ‘’k Zit voor ’t eerst.’ ‘Zoo – da kan ’k je niet nazeggen...’ ‘Wat is een paaltje?’ ‘Dat noemen wij hier je drie sneden brood.’ ¶ Bernard Canter, Op water en brood (1916), p. 98

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

Paal 1): grens in Tsaristisch Rusland die de joden niet mochten overschrijden; 2): woongebied dat door deze scheidingslijn werd begrensd | < Eng. the Pale (of Settlement), vert. van Russ. tsjerta osedlosti (evt. via Jidd/Hebr techoem-hamoisjev, zie: techom), waarbij wordt teruggegrepen op het Nederlandse landpaal, landpale, het gewone woord in de Statenbijbel, dat een eeuw of twee geleden door het woord ‘grens’ (< D. Grenze < Pools granica) verdrongen werd (vgl. de uitdrukking ‘paal en perk stellen’).
Van het Russische tsjerta heeft paal de dubbele betekenis van enerzijds ‘grenslijn’, anderzijds ‘gebied’ overgenomen.

— Om de Oostenrijkers te troosten werd het koninkrijk Polen opgedeeld tussen de Habsburgers, de Russen en de Pruisen. Daardoor breidde Rusland zich uit ten noorden van de rivier de Njemen en werden grote stukken van Wit-Rusland, de westelijke Oekraïne en de grond tussen de rivieren de Dnjepr en de Dnjestr aan het tsarenrijk toegevoegd. Onder Alexander I werd in 1809 ook nog het huidige Moldavië geannexeerd. In deze gebieden woonden ongeveer vijf miljoen joden. Het werd de joden verboden zich buiten deze gebieden, de ‘Paal’, te vestigen. (MANFRED WIJKER, 1992)
— De levensomstandigheden van de meeste joden waren miserabel. Rond de eeuwwisseling ontving veertien procent van de joden in de Paal gratis voedsel of een andere vorm van humanitaire hulp. In Litouwen, de zuidelijke Oekraïne en Moldavië was dat percentage meer dan twintig procent. (MANFRED WIJKER, 1992)
— Behalve dicriminatie van overheidswege bestond er ook al eeuwen antisemitisme onder andere inwoners van de Paal, Litouwers, Oekraïners en Polen. Regelmatig sloeg het volk alles wat joods was kort en klein, bijvoorbeeld in de pogroms van 1881 en 1882, na de moord op tsaar Alexander II in 1881. (MANFRED WIJKER, 1992)

Zie ook vestigingsgebied

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

paal (Latijn palus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Paal van ’t Lat. palus (= paal), als term bij den huizenbouw van de Romeinen overgenomen. Zie ook: poort, muur, post, enz.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

paal (geene palen kennen). - De Fransche uitdrukking ne pas connaître de bornes, met eene zaak als onderwerp, kan in ’t Nederlandsch niet letterlijk vertaald worden, zooals op de onderstaande plaats blijkbaar geschied is; men zegt onbegrensd, grenzeloos zijn (verg. echter het Wdb. d. Nederl. Taal op Onbegrensd, Syn). || Nu hij voor de eerste maal zijns levens door zijne schuld iemand zag lijden, kende zijn wanhoop geene palen, BUYSSE, Mea Culpa 26.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paal ‘stuk hout’ -> Deens pæl ‘stuk hout’ (uit Nederlands of Fries); Noors pæl, pel ‘in de aarde gedreven stok’; Zweeds påle ‘stuk hout’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins paalu ‘stuk hout; aangescherpte paal die in de bodem geslagen wordt’ <via Zweeds>; Ests pahl ‘stuk hout’ <via Fins>; Russisch pal ‘houten mast’; Bulgaars pal ‘stuk hout om schepen aan vast te leggen in de haven’; Indonesisch pal ‘markering langs een weg; de afstand tussen twee van zulke markeringen (1507 m)’; Ambons-Maleis pal ‘stuk hout, ook als afstandsmaat, mast’; Atjehnees pay ‘afstandsmaat’; Balinees pal ‘stuk hout’; Jakartaans-Maleis pal ‘afstandsmaat’; Javaans epal, pal ‘afstandsmaat (1507 m)’; Keiëes pal ‘baken, boei’; Kupang-Maleis pal ‘stuk hout, ook als afstandsmaat’; Madoerees ēppal, pal, palpelar ‘afstandsmaat, ongeveer 7 kilometer of 20 minuten’; Menadonees pal ‘stuk hout, ook als afstandsmaat’; Sasaks pal ‘afstandsmaat; triangulatiepaal’; Soendanees pal ‘afstandsmaat’; Ternataans-Maleis pal ‘stuk hout, ook als afstandsmaat’; Sarnami pál ‘betonnen paal’; Surinaams-Javaans pal ‘stuk hout’; Caribisch-Engels paal ‘paal die territoriale grens markeert; houten beschoeiing van palen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paal stuk hout 1285 [CG I2, 1036] <Latijn

paal mannelijk lid in erectie 1967 [De Coster 1998]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1751. Paal en perk stellen,

d.w.z. iets (kwaads) verhinderen verder te gaan; vooral: ondeugden en misbruiken tegengaan, en op personen toegepast; iemand beteugelen. Ook alleen perken stellen aan. Het znw. paal heeft hier de bet. van landpaal, grenspaal, grensVgl. Gallée, 32 b: ût de paole, buiten de grenzen; Draaijer, 29: park, meet, plaats waar men begint te loopen; men moet geen oude palen verzetten (Zeeman, 401); bepalen, afpalen, palen aan; enz. Zie Ndl. Wdb. XII, 19-21; 213-214; Mnl. Wdb. VI, 18.; vgl. Kil.: Pael, paelsteen, terminus, meta agri, limes agro positus; perck, parck, septum, locus septus, circus, locus conclusus, dus omsloten ruimte, afperking, grens; E. Wolff-Bekker, Aan mijnen geest: En wanneer zet dat volk hun gramschap perk en paalen; Brieven (ed. V. Vloten), 294: En zijne drift heeft perk noch paalen; Sewel, 626: Gods goedheid kent paal noch perk, the goodness of God is without limits; Villiers, 95; Joos, 44; Waasch Idiot. 501 a; Antw. Idiot. 1956Voor dergelijke allitereerende verbindingen zie kind noch kraai; de kogel is door de kerk; gif en gal spuwen; rust roest; de zaak is in kannen en kruiken (of kruiken en kannen = in orde, beklonken; o.a. Handelsbl. 10 Maart, 1920 (A) p. 2 k. 1; Telegraaf, 28 Dec 1923 (O) p. 5 k. 3), enz..

1902. Als (het) puntje bij (het) paaltje komt,

ook als putje (pitje) bij paaltje komt (Top Naeff, Het Veulen, bl. 310) of als 't tot puntje paaltje komt, d.i. als het op stuk van zaken aankomt, als het op de uitvoering aankomt, als 't op zijn punt of zijn stuk komt, zooals men in Zuid-Nederland wel zegt (Antw. Idiot. 1007; 2075; fr. venir au point; eng. to come to the point), als de noot gekraakt wordt, als de knijper op den staart komt. Vgl. Nkr. I, 24 Nov. p. 2: Maar als puntje bij paaltje komt; VI, 24 Febr. p. 2: Och als puntje bij paaltje komt dan halen onze dierbare broederen wel bakzeil; De Amsterdammer, 7 Dec. 1913, p. 1 k. 3: Als dan puntje bij paaltje komt kan men dien officieelen geweldenaars niet euvel duiden, zoo zij eens doen wat van hun beroep en hun roeping is; Handelsblad, 8 Nov. p. 1 k. 2 (ochtendbl.): Het is hard voor zulke heeren dat zij, wanneer het puntje bij het paaltje komt, blijk geven van een naïviteit, enz.; 16 Juni 1914, p. 5 k. 4 (avondbl.): Duitschland en Oostenrijk vragen zich af, of zij, wanneer het puntje bij het paaltje komt, wel veel steun zullen krijgen van hun bondgenoot; De Arbeid, 31 Jan. 1914, p. 4 k. 2: Nu komt juist het puntje bij 't paaltje; Het Volk, 23 Mei 1914, p. 1 k. 4: Als het puntje bij paaltje komt, draai ik mij er wel op de een of andere manier uit!; 2 Juli 1914, p. 2 k. 4: Nu is het puntje bij het paaltje gekomen; 12 Oct. 1914, p. 2 k. 3: 't Lijkt wel wat zonderling, dat men eerst alle bewoners letterlijk heeft weggejaagd door een dikke bravour-mededeeling en dat men, toen 't puntje bij 't paaltje kwam, al die bravour heeft laten varen; Nkr. VIII, 21 Nov. p. 2; Propria Cures XXVI, 188: Toen 't puntje aan 't paaltje kwam, deed de partij overal mee aan het toestaan der budgetten; enz. Hiernaast putje bij paaltje houden, wat bijeen hoort, ook bijeen houden, zich bij zijn leest houden, consequent blijven (Ndl. Wdb. XII, 19); van pitje tot paaltje iets verhalen (Spaan, 480; Harreb. II, 159). De oorspr. dezer allitereerende zegswijzen is onbekend. Waarschijnlijk bewaren zij eene herinnering aan het mnl. putten ende palen, puttepalen of pittepalen, de grenzen van een gebied door putten (kuilen) en palen aanwijzen, nauwkeurig nagaan wat iemand toekomtMnl. Wdb. VI, 59; 790..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal