Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ozon - (verschijningsvorm van zuurstof (O3))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ozon zn. ‘verschijningsvorm van zuurstof (O3)’
Nnl. ozon ‘blauw gas met een prikkelende geur, 3-atomige vorm van zuurstof’ [1855; Kramers].
Ontleend aan Duits ozon [1839; Pfeifer], een neologisme dat geïntroduceerd is door de Duits-Zwitserse scheikundige Christian Friedrich Schönbein (1799-1868), die dit gas in 1839 ontdekte. Het woord is gevormd uit de stam van het Griekse werkwoord ózein ‘geuren, ruiken’ met het achtervoegsel -on dat vaak gebruikt wordt in namen van chemische stoffen, zie → aceton. Het gas dankt zijn naam aan de prikkelende geur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ozon [een gas] {1855} door de Duitse chemicus Christian Friedrich Schönbein (1799-1868), die in 1839 de ozon ontdekte gevormd van grieks ozein [geuren, rieken], vanwege de typische lucht van ozon.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ozon znw. o. m. ‘drieatomige zuurstofmolekule, in 1840 door Chr. Fr. Schōnbein ontdekt die ter benaming van dit sterk ruikende gas voorsloeg het gr. deelw. ózon van ózein ‘ruiken’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

osoon s.nw.
Vorm van suurstof.
Uit Ndl. ozon (1855) of Eng. ozone (1841).
Ndl. ozon en Eng. ozone uit D. Ozon, met lg. in 1839 deur die ontdekker van die gas, die D. chemikus C.F. Schönbein (1799 - 1868), gevorm van Grieks ozein 'ruik', so genoem n.a.v. die kenmerkende verfrissende geur van die gas.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

osoon: drieatomige suurstofmolekule; Ndl. ozon, Eng. ozone, Hd. ozon, in 1840 deur C. F. Schönbein ontdek en deur hom n.a.v. die reuk daarvan genoem ozon, dw. v. Gr. ozein, “ruik”.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Ozon (Gr. ὄζων (ózôn) = part. praes. v. ὄζειν (ózein) = ruiken). Zuurstof bestaande uit O3-moleculen, ontdekt in 1840 door Schönbein (1799—1868). Hij gaf dezen naam wegens den eigenaardigen reuk van dit gas.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ozon ‘bepaald gas’ -> Indonesisch ozon ‘bepaald gas’; Papiaments ozòn ‘bepaald gas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ozon een gas 1855 [KKU]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal