Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

overtuigen - (door argumenten beïnvloeden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

overtuigen ww. ‘door argumenten beïnvloeden’
Mnl. overtughen ‘(iets) bewijzen m.b.v. een bezwarende getuigenis’ in des men hem mitten richter ... overtugen mach ‘waarvan men hem bij de rechter met bewijzen kan beschuldigen’ [1327; MNW], ‘(iemands) schuld of onschuld bewijzen met een getuigenis’ sy wouden hair overtughen ‘zij wilden haar schuld aantonen d.m.v. een bezwarende getuigenis’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. ‘(iemand) door argumenten beïnvloeden of iets doen geloven’ in met eenen getuygen sullen sy overtuygt syn [1556-1605; Stall.], Hy overtuyghde de Joden ... dat Jesus de Christus was [1688; WNT]; nnl. het is vergeefsch den dwaazen te overtuigen [1756; WNT].
Gevormd uit → over en mnl. tugen ‘verklaren’, zoals in Wi ..., scepen in hoysden, tughen ... dat ‘wij, schepen in Heusden, verklaren, dat ...’ [1297; VMNW]. Zie ook → getuigen.
Oorspr. was overtuigen een juridische vakterm. Iemand overtuigen betekende ‘door een belastende verklaring aantonen dat hij/zij schuldig is’. Via ‘doen geloven dat iemand schuldig is’ en ‘doen geloven dat iemand ongelijk heeft’ kon daaruit de huidige betekenis ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

overtuigen* [iets doen geloven door klem van woorden] {overtugen [als aanklager tegen iem. optreden] 1357} middelhoogduits überziugen [door getuigen een bewijs leveren], oorspr. een rechtsterm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

overtuigen ww., mnl. ōvertûgen ‘door getuigenissen een beklaagde doen veroordelen’, evenals mhd. überzeugen ‘door getuigen een bewijs leveren’, ofri. ūrtiūga, is dus oorspr. een rechtsterm. — Zie verder: getuige.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

overtuigen ww. Sedert het Mnl. Mhd. Mnd. Ofri. (ûrtiûga). Zie getuigen.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

zich overtuigen. - Op de volgende plaats staat zich overtuigen, door bijgedachte aan een dergelijke opvatting van fr. se convaincre of se persuader, met passieve beteekenis, doch dit is in strijd met ons taalgebruik: men wordt overtuigd, of men laat zich overtuigen. || Zelfs kinderen overtuigen zich aanstonds, wanneer men hun voor de eerste maal een sprookje vertelt, dat het niet tot het verstand gericht is, doch enkel een spel der fantazie is, GITTÉE in De Toekomst 31, 426.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

overtuigen ‘iets doen geloven door klem van woorden’ -> Fries oertúgje ‘iets doen geloven door klem van woorden’; Deens overtyde ‘iets doen geloven door klem van woorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors overtyde ‘iets doen geloven door klem van woorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds övertyga ‘iets doen geloven door klem van woorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands overtug ‘iets doen geloven door klem van woorden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

overtuigen* iets doen geloven door klem van woorden 1637 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal