Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

overall - (werkpak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

overall zn. ‘werkpak’
Nnl. overall ‘werkpak aan één stuk, vaak van blauwe stof, dat men over de gewone kleding aantrekt’ [1924; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels overall(s) (vaak mv.) ‘over de gewone kleding gedragen werkbroek, vaak voorzien van een borststuk met schouderbanden’ [1845; OED3], eerder al ‘beschermende broek; beenkappen’ [1776; OED3], gevormd van over, zie → over, en all ‘alles’ (= ‘alle kleding’), zie → al.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

overall (Engels overall(s))

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

overall [*oovuro:l] {over-alles} ketelpak. Kledingstuk uit één stuk dat alle ledematen en de romp bedekt. Bedoeld voor vuil werk maar in de jaren zeventig ook een tijd in de mode geweest als dagelijkse kleding.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

overall ‘werkpak aan één stuk dat men over de gewone kleding aantrekt’ -> Javaans dialect obral ‘kledingstuk’; Papiaments overòl ‘werkpak aan één stuk dat men over de gewone kleding aantrekt’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

overall zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = werkpak, overal, [zeevaart] ketelpak.

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

overall, plural overalls, de [o:vəʹrɔ(:)l/s, -ʹrɑl/s] Koenen 1940; Koenen 1974; Van Dale 1976. Editorial comment: In English there is a possible distinction in meaning between the sg. and the pl., as appears from the following definitions, taken from Collins: ‘overall n. 4. (Brit.) a protective work garment usually worn over ordinary clothes. 5. (pl.) hard-wearing work trousers with a bib and shoulder straps or jacket attached’. The workman’s garment called ‘overal(l)’ in Dutch (nowadays also fashionable as ladies’ wear) is generally of the boiler-suit type, i.e. having a complete upper part with long sleeves. It differs in this respect from the most common form of E. ‘overalls’, with only bib and shoulder straps. Koenen 1974; Van Dale 1976 also give spelling with single final ‘l’, which suggests the fully adapted pronunciation in [-ɑl]. Loanword from English overall(s) n. [ʹ---]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal