Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

operator - (bedieningsdeskundige)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

operator [bedieningsdeskundige] {na 1950} < engels operator < latijn operator (vgl. operateur).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

opera’tor (de, -s), (uitspr. E: operee’ter), 1. (i.h.a.:) bediener van een, eventueel rijdend, apparaat: filmoperateur, chauffeur van een bulldozer e.d., enz. Eee, wat doen die mannen* daarboven? Operator, ben je gek geworden? Fillem! wordt er van alle kanten geroepen. Fillem. Fillem! Operator! (Vianen 1971: 44). - 2. (i.h.b.:) disc-jockey. De operator had weer een nieuwe plaat opgezet (Dobru 1967: 29). - Etym.: E. In AN opkomend, naast het al langer bestaande ’operateur’. - Samenst. van 1: bulldozeroperator e.d.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

operator ‘wiskundig symbool dat een operatie aanduidt’ (Latijn operator); ‘computerbediener’ (Engels operator)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

operator [opureetuh] {bediener} 1. iemand die als beroep een of andere machine bedient; 2. telefonist(e) die een box op een 06-lijn beheert. Door humoristische bellers graag aangeduid als ‘open reetje’.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Operator (< Lat. operari = een werking uitoefenen). Teken, dat uitdrukt, dat een zekere bewerking moet worden uitgevoerd. Vb. operator van Hamilton. → Gradient.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

operator zn. Ontleend aan het Engels.
= organisator.
= bootschoen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

operator bedieningsdeskundige 1961 [GVD] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

operator, plural operators [ʹɔpəre:tər/s] Koenen 1974 (in other sense) bedrijf dat vakantiereizen organiseert, ‘tour operator’: “[Dit is] zeker geen sprong in het duister, omdat de met Hotelplan gelieerde Britse touroperator Ingham Travel al meer dan zes jaar Macugnaga ‘doet’. Evenals de andere operators heeft men daar een permanente hostess gestationeerd, die de gasten met raad en daad bijstaat.” (2809110). Compounds/derivations: touroperator. Loanword from English operator n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal