Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

openbaar - (voor iedereen van belang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

openbaar bn. ‘voor iedereen van belang’
Mnl. openbaer ‘voor iedereen zichtbaar, voor iedereen duidelijk’ in Stille ende openbare ‘op alle manieren’ (letterlijk ‘in stilte en openlijk’) [1200; VMNW], dingen die openbar sin ‘zaken die voor iedereen duidelijk zijn’ [1236; VMNW], openbare ‘id.’ [1240; Bern.], ‘voor iedereen van belang’ in omme openbare nutscepe ‘voor het algemeen belang’ [1282; VMNW], ook zelfstandig gebruikt in dattet int openbare leghet sinen drec ‘dat het op een voor iedereen zichtbare plaats zijn uitwerpselen achterlaat’ [1287; VMNW].
Gevormd uit → open en het bn.baar 5 ‘open, bloot’ en dus vergelijkbaar met de uitdrukking open en bloot. Het woord is dus geen afleiding met → -baar: dat zou in strijd zijn met de betekenis (het woord betekent niet ‘geopend kunnende worden’) en met de klemtoon op de laatste lettergreep.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

openbaar* [algemeen bekend, het algemeen betreffend] {openbaer [open liggende, toegankelijk, openbaar] 1200} van open + middelnederlands -baer, afgeleid van baren1 [dragen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

openbaar bnw., mnl. ōpenbâre, ōpenbaer, mnd. ōpenbāre, ōpenbar, ohd. offanbāri (nhd. offenbar), ofri. epenběr, openběr (on. opinberr is < mnd.). — Samenstelling van open + baar 6 en de bet. was dus ‘zich open dragend’. — De verlegging van de klemtoon naar het suffix kan toe te schrijven zijn aan invloed van openbaren en openbaring.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

openbaar bnw., mnl. ōpenbâre, -baer met ruimer bet.-sfeer dan nu. = ohd. offanbârêr bnw., -bâro bijw. (nhd. offenbar), mnd. ōpenbar(e), ofri. epenbĕr, openbĕr, on. (uit het Mnd.) opinberr “openbaar, openlijk”. Het tweede lid is ’t suffix -baar VI, met zwakke bet., het eerste kan dan ’t substantivische neutrum van ’t bnw. open zijn. Was de oorspr. bet. — wat niet wsch. is — “zich open gedragend, open optredend”, vgl. dan gebaar. In ’t Ndl. en elders is volksetymologische associatie met baar V ingetreden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

openbaar (slot). Associatie met baar V verklaart ten dele de accentverschuiving, die blijkens de spelling oppen- reeds mnl. was; anderdeels zullen langere afleidingen als openbaren, openbaring met verschoven accent daartoe hebben bijgedragen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

openbaar bijv., Mnl. openbare + Hgd. offenbar: een afleid, met suff. baar 6.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

openbaar ‘blijkbaar, klaarblijkelijk’ (Duits offenbar)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Openbaar, ’t Tweede lid (of ’t achtervoegsel) is waarschijnlijk afgeleid van beren, in de bet. van: zich dragende, zich gedragende; het woord zou dan eig. bet.: open gedragende, d.i. niet-gesloten, voor allen toegankelijk, zichtbaar zijnde. Vgl. in ’t Mnl.: „Die ondaet was openbaer” = voor allen zichtbaar, aan allen bekend, en: „Ende verbaert aen mi uwe cracht,” = openbaart.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

openbaar. - Aan fr. public beantwoorden twee Nederlandsche woorden: openbaar en openlijk, en al kan public in deze laatste beteekenis niet van personen gezegd worden, toch is het gebruik van openbaar voor openlijk aan de dubbele opvatting van het Fransch bijvoeglijk naamwoord te wijten. || De baron en de dokter van Zompelgem en meer anderen (herkenden) notaris Victor van Damme voor hun openbaren tegenstrever, LOVELING, Sophie 165.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

openbaar. Ik las wel eens van openbare rustverstoorders voor verstoorders van de openbare rust. De uitdrukking is dubbelzinnig, daar men openbare niet enkel tot rust, maar, volgens het doorgaande gebruik, tot het gansche zamengestelde woord moet brengen. Waar geene dubbelzinnigheid kan plaats hebben, als in zijden-kousenwevers, verdient de uitdrukking geene afkeuring.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

openbaar ‘algemeen bekend, het algemeen betreffend’ -> Fries iepenbier ‘algemeen bekend, het algemeen betreffend’; Deens åbenbar ‘algemeen bekend, het algemeen betreffend’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors åpenbar ‘duidelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds uppenbar ‘duidelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands (maak) openbaar, openbar ‘algemeen bekend (maken)’; Sranantongo openbari ‘algemeen bekend, het algemeen betreffend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

openbaar* algemeen bekend, het algemeen betreffend 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal