Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oorzaak - (wat noodzakelijk een gevolg met zich meebrengt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

oorzaak zn. ‘wat noodzakelijk een gevolg met zich meebrengt’
Mnl. orsake ‘aanleiding’ in die vorsten des volc sochten alle dage orsake tjegen hem omme hem te dodene ‘de oudsten van het volk zochten alle dagen naar een aanleiding om hem (Jezus) te doden’ [1332; MNW-P], die oorsaec der groter toornicheit ‘de oorzaak van grote woede’ [ca. 1475; MNW]; vnnl. saken die oorsaken geven der vrecheit ‘zaken die gierigheid veroorzaken’ [1515; MNW].
Afleiding met → oor- bij het zn.zaak in de betekenis ‘geschil, strijd, rechtzaak’. De oorspr. betekenis is ‘grond tot twist en aanklacht, aanleiding tot vijandige handelingen’, in overeenstemming met de oudste betekenis van zaak.
Mnd. orsake ‘oorzaak’ (vanwaar door ontlening nzw. orsak); vnhd. ursache ‘id.’ [15e eeuw; Kluge] (nhd. Ursache); ofri. orseke, orsake ‘id.’ (nfri. oarsaak).
Mnl. orsake komt aanvankelijk vooral voor in devote teksten; NEW meent daarom dat het woord is ontleend aan het Hoogduits. Het Nederlandse woord is echter een eeuw eerder geattesteerd, wat deze mogelijkheid minder waarschijnlijk maakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oorzaak [reden] {o(o)rsake 1401-1425} < middelhoogduits ursache, middelnederduits o(o)rsake, van hoogduits ur- (vgl. oor-) + Sache in de oude betekenis ‘rechtszaak’ (vgl. zaak) (ook de betekenis van middelnederlands sake ontwikkelde zich van rechtszaak tot de zaak waaruit iets voortspruit, oorzaak).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

oorzaak

Het voorvoegsel oor- komt ook voor in de onbetoonde vorm er- en in de vorm oer-. Er is slechts een zevental woorden in onze taal, dat met dit voorvoegsel is samengesteld en een daarvan is: oorzaak. Daarin heeft oor- een versterkende betekenis: het woorddeel zaak moet worden opgevat in de zin van het Latijnse causa. In deze betekenis zegt Ruusbroec: God is orsake alre creaturen, dus God is de oergrond van al het geschapene. Wij gebruiken het woord in de zin van: datgene wat noodzakelijk tot een bepaald gevolg moet leiden. Het verschil met het woord reden is dat oorzaak aangeeft: waardoor iets geschiedt en reden: waarom iets gedaan wordt. Oorzaak wijst vooruit naar een gevolg, reden wijst terug naar een grond. De andere vijf zijn: oorbaar, oorkonde, oorlof, oorlog en oorsprong.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oorzaak znw. v., mnl. orsāke, oorsāke v., mnd. orsāke, mhd. ursache. Daar het mnl. woord eerst laat in devote teksten optreedt is het wel van hd. herkomst (evenals oorsprong). Zo ook nde. aarsag, nzw. orsak. — De oudste bet. is ‘grond tot twist en aanklacht, aanleiding tot vijandige handelingen’, in overeenstemming met de oudste bet. van zaak nl. ‘strijd’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oorzaak znw., mnl. orsāke, oorsāke v. = mhd. (nhd.) ursache, mnd. orsāke v. “oorzaak”. Het mnl. woord komt alleen in devote en in late teksten voor; dat wijst op du. invloed (vgl. oorsprong). Het du. woord is een wsch. opzettelijk gevormde samenst. van ur- (oor- II) en sache (zaak), ’t laatste in de bet. “causa”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oorzaak v., Mnl. orsake + Hgd. ursache, wellicht een vertaling van Lat. excusatio = (verontschuldigings)reden, van excusare (Fr. excuser) = verontschuldigen, van causa (z. koozen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oorsaak s.nw.
Dit wat tot iets aanleiding gee, rede vir 'n bepaalde gebeurtenis of toestand.
Uit Ndl. oorzaak (Mnl. orsake), wsk. 'n afleiding met oor-, wat versterkend optree, van zaak 'rede'.
D. Ursache (15de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oor- (voorvoegsel) is letterlijk uit, vgl. oorsprong. Het Ohd. kent ur nog als afzonderlijk (zelfstandig) voorzetsel uit, evenals ’t Got. uz; het komt bij ons nog voor in:
a. oorbaar (z.n.w.,) van beren: dragen, dus letterlijk: wat uitgedragen wordt, opbrengst; vervolgens: voordeel, nut, belang: „ten oorbaar van het land”. Het bijv.nw.: dat is niet oorbaar, schijnt hetzelfde woord te zijn, in de bet. van: voordeelig, nuttig, dienstig; later: gepast, behoorlijk.
b. oordeelen, letterlijk: uit-deelen (nl. van ’t vonnis; vgl. ’t middeleeuwsche ordalium, over iets oordeelen: uitspraak over iets doen.
c. oorkonde: het stuk, waaruit men kennis (konde) krijgt.
d. oorsprong: de sprong uit iets.
e. oorzaak: de zaak, waar uit iets komt.
f. oorlof en g. oorlog, waarvan de afleidingen niet opgehelderd is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oorzaak ‘reden’ -> Deens årsag ‘reden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors årsak ‘datgene wat een noodzakelijk gevolg met zich meebrengt; oorsprong’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds orsak ‘reden’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oorzaak reden 1401-1425 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal