Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onweer - (donder en bliksem in de atmosfeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

onweer zn. ‘donder en bliksem in de atmosfeer’
Mnl. onweder ‘onweer’ in Hi sal doen vallen grod onweder. Haghel. donre doen vallen neder ‘hij zal een krachtig onweer veroorzaken (en) het laten hagelen en donderen’ [1285; VMNW], ‘zeer slecht weer’ in alrehande onweder ‘allerlei slechte weersomstandigheden’ [1380-1400; MNW-P].
Afleiding met het voorvoegsel → on- in de betekenis ‘slecht, onbehaaglijk’ van het zn.weer 2.
De oorspr. betekenis zal ‘zeer slecht weer’ zijn geweest, zoals in Duits Unwetter. De huidige betekenis is hier een vernauwing van.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

onweer* [donderbui] {onwe(d)er [slecht weer, stormweer] 1285} middelnederduits unwed(d)er, middelhoogduits unweter, oudfries, oudengels unweder [idem]; van on- + weer4.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

onweder znw. o., mnl. onwēder o. ‘boos weerʼ, mnd. unwēder, unwēdder, mhd. unweter, ofri. oe. unweder ‘slecht weerʼ, met andere formatie mnl. onghewēder(e), os. ungiwideri, ohd. ungiwitiri (nhd. ungewitter), oe. un(ge)widere. — In deze woorden betekent het praefix dus ‘slechtʼ evenals in ondank.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

onweder znw. o., mnl. onwēder o. “boos weer”. Dial. (N.Holl.) onweer nog = “slecht, onstuimig weer, storm en regen”. = mhd. unwëter, mnd. unwëd(d)er, ofri. ags. unwëder o. “id.”. Uit on + weder I. Hiernaast mnl. onghewēder(e), ohd. ungiwitiri (nhd. ungewitter), os. ungiwideri, ags. un(ge)widere o. “id. .

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

onweer: donder(weer), stormagtige weer; so ong. ook Ndl. onwe(d)er, v. weer I, waai I, on-.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Onweer snw. Eweas in die 17de eeu word onweer in Afrikaans vandag nog gebruik in die sin van 1. in die algemeen slegte, reënerige weer, sowel as van 2. donder en bliksem. In die eerste betekenis is onweer in Alg. Besk. Ndl. volkome verouderd. Egter ook in Noord-Hollands is die woord nog in altwee betekenisse bend (Boekenoogen 690).

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

onweer (onweer maken). - Deze uitdrukking wordt in sommige gedeelten van Vlaamsch België, o.a. te Gent, veelvuldig gebruikt; het is een gallicisme, gevolgd naar fr. faire de l’orage, dat reeds betrekkelijk oud is: bij MARIN, Dict. komt het reeds voor (verg. Wdb. d. Ndl. Taal 10, 2197). Mn zegt onweeren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

onweer ‘donderbui’ -> Papiaments † onweer ‘donderbui’; Sranantongo onweri ‘donderbui’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

onweer* donderbui 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal