Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onkruid - (ongewenste planten)

Etymologische (standaard)werken

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

onmens

Het voorvoegsel on- drukt in de eerste plaats een gewone ontkenning uit: onrijp is: niet rijp en onverwacht is: wat niet verwacht werd. In vroeger tijd was de betekenis van on- echter veel sterker. Het gaf niet alleen de afwezigheid te kennen van het begrip dat door het volgende woord werd uitgedrukt, maar veeleer de tegenovergestelde eigenschap. Zo betekende het Middelnederlandse onscone: afschuwelijk en onsachte: krachtig. Resten van die oude sterke betekenis vindt men nog in onmens, waarmee men hem aanduidt die niets menselijks meer heeft, in ondier: monster, in onkruid: schadelijk kruid en nog enkele. In deze woorden ligt de klemtoon op on-; waar de betekenis verzwakt is, versprong het accent naar het hoofdwoord.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

onkruid s.nw.
1. Ongewenste, dikw. wilde plante, wat gewenste plante verdring. 2. Ondeunde, stout persoon, of skurk, gemene persoon.
Uit Ndl. onkruid (Mnl. oncruut), in bet. 2 'die mens met sy gebreke', of bet. 2 is mntl. 'n leenbetekenis van Eng. weed (1869) 'klein, tingerige of veragtelike persoon'. Ndl. onkruid is 'n afleiding met on- 'nie' van kruid 'kruie'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Unkraut (11de eeu).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Er is veel onkruid onder de tarwe, er zit veel kwalijks tussen het goede.

Een gelijkenis in Matteüs 13 is de bron voor deze uitdrukking: 'Hij hield hun een andere gelijkenis voor: "Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer" (Matteüs 13:24-25, NBV). De Statenvertaling (1637) heeft hier tarwe. De uitdrukking wordt nu nog maar zelden gebruikt.

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 13:25. Maer doen die lieden sliepen, zo quam zijn viandt ende saeyde oncruyt onder dye tarwe, ende ginc daer af.
Zij was geboren om orde en tucht en geloof te doen heersen, maar in de nacht was de duivel gekomen om onkruid tussen de tarwe te zaaien, en nu woekerde dat onkruid zelfs tot in haar huis op. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 850)
Ik ben naar de rommelmarkt geweest; er was veel onkruid onder de tarwe, maar ik heb toch een paar aardige dingen gevonden. (Voorbeeld, jaren '90)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

onkruid ‘ongewenste planten’ -> Deens ukrudt ‘ongewenste planten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ukrutt ‘ongewenste planten’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands onkruit, onkryd ‘ongewenste planten’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1678. Onkruid vergaat niet,

d.w.z. ‘de nutteloozen of onwaardigen blijven het langst leven, groote deugnieten leven lang’; lat. mala her ba difficulter moritur. Eene zegswijze, die wellicht reeds in de middeleeuwen bestondZie Volksb. Reyn. 116. en die we in de 16de eeuw lezen bij Goedthals, 58: Quaet cruyt bederft noode, mauvaise herbe croist soudain; Prov. Comm. 600: quaet cruyt verderft node, non cito descrescit mala planta sed immo virescit; Campen, 125: oncruyt en vergaet niet lichtelick; Bebel, 367: mala herba non facile marcescit; Sartorius III, 10, 3: onkruyt bederft niet; Idinau, 293:

 Men seght: quaedt kruydt seer noode vergaet,
 Dat blijckt aen de hoven, en aen de lieden;
 Wat ghy daer toe doet, met woorden oft daedt,
 Ghy en haelter niet, met al u bedieden.

 Het is quaedt preken, daer d'ooren vlieden.Zie verder Suringar, Erasmus, CXII; Villiers, 89; N. Taalgids XIII, 138; het Friesch: ûnkrûd forgiet net; hd. Unkraut vergeht nicht (Wander IV, 1464); fr. mauvaise herbe croît toujours; eng. ill weeds grow apace (or are sure to thrive); voor het ndd. Taalgids V, 162.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal