Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ongenaakbaar - (niet benaderbaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

genaken ww. ‘naderen, dichtbijkomen’
Onl. gināken ‘naderen’ in fan thēn thīa genācont mi ‘van hen die mij naderen, die tegen mij optrekken’, in de verleden tijd ginēkeda ‘naderde’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ghenaken ‘naderen, daar zijn’ in doe hi die magt hem sach genaken ‘toen hij zag dat de maagd hem naderde’, doe genaket was die stonde ‘toen het uur aangebroken was’ [beide 1265-70; CG II, Lut.K], ook in de vorm gheneken, in (d)at si der erden soude geneken ‘dat ze de aarde zou naderen, aanraken’ [1276-1300; CG II, Kerst.], nimen dorste hen gheneken ‘niemand durfde bij hen in de buurt te komen’ [1291-1300; VMNW].
Afleiding, met het voorvoegsel → ge- (sub f, met versterkende betekenis), van het werkwoord → naken ‘dichterbijkomen’.
Mnd. genāken, genēken ‘naderen’; < pgm. *gināk-jan-, mogelijk ook *genākon.
genaakbaar bn. ‘gemakkelijk te benaderen, toegankelijk’. Vnnl. genaakbaar ‘id.’ [1691; Sewel EN accessible], die vesting is alleen van eene zyde genaakbaar, hy is niet genaakbaar zo trots is hy [alle 1766; Sewel NE]. Afleiding met het achtervoegsel → -baar. Gebruikelijker is het antoniem: ♦ ongenaakbaar bn. ‘niet te benaderen, onbereikbaar’. Vnnl. ongenaakbaar ‘id.’ [1691; Sewel NE], om het voor den vyand ongenaakbaarer te maaken [1749; WNT], ‘ontoegankelijk, onaanspreekbaar verwaand’, in gij waart ongenaakbaar [1789; WNT].

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal