Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onbesuisd - (onbeheerst)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

onbesuisd* [onbeheerst] {onbesuust [onbehouwen, onbeschaafd] 1350} het tweede deel is het verl. deelw. van middelnederlands besusen, besuysen [tot bedaren brengen, sussen (bv. een kind)]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

onbesuisd bnw., mnl. onbesuust ‘vormeloos, onbewerkt, onbeschoftʼ (1486), Kiliaen onbesuyst ‘onoverlegd, vermetel; wild, onmenselijkʼ. — Evenals bij onbeschoft wil WNT een bet. ontw. opstellen ‘niet bewerkt, vormeloosʼ > ‘ongepast, onbetamelijkʼ > ‘doldriftigʼ. In dat geval kan men aanknopen aan on. sӯsla ‘arbeiden; uitvoeren, bezorgenʼ en verder vergelijken nnd. süsseln ‘kleinigheden in de huishouding verrichtenʼ. — Het bezwaar is, dat ook de etymologie van sӯsla niet vast staat; men denkt aan verwantschap met on. sūt ‘ziekte, smartʼ en sjūkr ‘ziekʼ (waarvoor zie: ziek), maar helder is de verhouding geenszins (vgl. AEW 574). Is het bovendien wel aan te bevelen dit specifiek skand. woord te gebruiken voor de verklaring van het nnl. onbesuisd? Wat het nnd. süsseln betreft, mag men wel aannemen, dat het uit nde. sysle ‘zich bezighouden metʼ overgenomen is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

onbesuisd bnw., mnl. onbesuust (t) “vormeloos, onbewerkt, onbeschoft”. De oorspr. bet. kan “onbewerkt” geweest zijn: vgl. dan on. sŷsla v. “arbeid, opdracht”, ags. sûsl o. v. “kwelling, marteling”. De germ. basis sûs- “werken” is verder niet verklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

onbesuisd bijv., Mnl. onbesuust = vormloos, ruw, wellicht behoorende bij On. súsa = verrichten, Ags. súsl, Eng. to souse. Vla. onpatjuistig is moeielijk hetz. woord.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

onbesuis b.nw. Ook soms onbesuisd.
Wild en woes.
Uit Ndl. onbesuisd (al Mnl.). Die tweede lid van Ndl. onbesuisd, nl. besuisd, hou verband met die Mnl. ww. besusen of besuysen 'tot bedaring bring, sus', en was oorspr. klanknabootsend gevorm.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Onbesuisd, oorspr.: vormloos, ruw, onbeschoft: een onbesuisde stok; men leidt het af van een woord, dat maken, werken bet.; in het On. sysa = werk, Angelsaks. susl = arbeid, ’t Woord is dus letterlijk ’t zelfde als onbeschoft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

onbesuisd ‘onbeheerst, teugelloos, onstuimig’ -> Fries ûnbesûsd ‘onbeheerst, teugelloos, onstuimig’; Duits dialect unbesuset ‘buitengewoonlijk; overmatig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

onbesuisd* onbeheerst 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal