Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onbeduidend

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

onbeduidend. — Dit woord komt voor als bijvoeglijk naamwoord en als bijwoord, en staat misschien meer onder den invloed van Fr. insignifiant dan van D. unbedeutend, al werd het meermaals als germanisme veroordeeld. Vóór een veertigtal jaren was men van meening dat beduidend alleen als onvoltooide deelwoord gold en slechts tot samenstellingen met een onbepaald voornaamwoord of telwoord (nietsbeduidend, veelbeduidend enz.) kon gebruikt worden. Deze redeneering bracht dan ook de veroordeeling mede van den vorm onbeduidend, want het voorvoegsel on- kan, zoomin als het zinverwante bijwoord niet, als object dienen. Het zou echter onverstandig zijn dit vreemd woord nog te willen verbannen, want in hetgeen door het algemeen gebruik voorgoed gewettigd is, moeten wij berusten. Verschillende kleurschakeeringen zijn aan het woord onbeduidend eigen; als bijvoeglijk naamwoord kan het beteekenen: nietig, beuzelachtig, nietsbeduidend (1), weinig of niets beteekenend, alledaagsch, gering, onaanzienlijk, onbelangrijk of klein; als bijwoord van wijze of hoeveelheid: onaanmerkelijk, onbenullig (dit laatste in de Hollandsche volkstaal) of in geringe mate. Zie beduidend en onbeteekenend.

(1) Wellicht naar het voorbeeld van D. nichtsbedeutend in gebruik gekomen.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal