Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

omnivoor - (alleseter), (allesetend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

omnivoor zn. ‘alleseter’, bn. ‘allesetend’
Nnl. omnivoren (mv.) “eene soort van zangvogels, die velerlei eten” [1855; Kramers], (bn.) omnivorisch ‘allesverslindend of -etend’ [1855; Kramers], omnivoor ‘alleseter’ in De mensch is een omnivoor, voedt zich met dierlijk en plantaardig voedsel [1901 Koenen], (bn.) ‘allesetend’ in Enkele knaagdieren zijn omnivoor [1900-08; WNT knaagdier].
Wetenschappelijk neologisme uit Neolatijn omnivorus ‘allesetend’, gevormd bij klassiek Latijn omnis ‘alle, elk, ieder’, een woord van onbekende herkomst, naar analogie van reeds klassiek Latijn carnivorus ‘vleesetend’, zie → carnivoor, dus met een tweede lid uit de stam van het werkwoord vorāre ‘(gulzig) eten, verslinden’. Zie ook → herbivoor.
Latijn vorāre is verwant met: Grieks bibrṓskein ‘verslinden’, brōm ‘spijs’, brōtós ‘eetbaar’; Sanskrit girati ‘verslinden’; Litouws gérti ‘drinken’, gìrtas ‘dronken’; Oudkerkslavisch -žrěti ‘doorslikken’ (Russisch žrat' ‘vreten, gulzig eten’); Armeens eker ‘at’; Oudiers gelid ‘verslinden’; < pie. *gerh3-, *g rh3- (LIV 211).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

omnivoor [alleseter] {1865} < frans omnivore < latijn omnivorus [alles verslindend, alles etend], van omnis [geheel, elk, ieder] (vgl. omnipotent) + -vorus (vgl. -voor).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

omnivoor s.nw.
Mens of dier wat voedsel van plantaardige en (of) dierlike aard inneem.
Uit Ndl. omnivoor (1865).
Ndl. omnivoor uit Fr. omnivore uit Latyn omnivorus 'alles etend', 'n samestelling van omnis 'ieder, elk' en -vorus 'eter, etend'.
D. Omnivor, Eng. omnivore (1890), Fr. omnivore.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

omnivoor ‘alleseter’ -> Indonesisch omnivora ‘alleseter’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

omnivoor alleseter 1865 [KVW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal