Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

omnibus - (openbaar vervoermiddel; verzameling verhalen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

omnibus 1 zn. ‘openbaar vervoermiddel’
Nnl. omnibus “een rijtuig voor Jan en alle man, een ruime snor- of huurwagen” [1832; Weiland], in samenstellingen zoals omnibusliniën ‘omnibuslijnen’ [1839; Diederichs & Elterman], in naar alle wijken ... draven overal, omnibussen vol geladen [1855; WNT], dan ook ‘gemotoriseerd voertuig voor openbaar vervoer’ in reuzen-omnibussen, door stoomkracht gedreven [1867; WNT reus I], automobiel als omnibus [1912; Kramers autobus].
Neologisme, ontleend aan Frans omnibus ‘groot rijtuig als openbaar vervoermiddel’ [1828; TLF], gevormd op basis van Latijn omnibus ‘voor allen’, de datief meervoudsvorm van omnis ‘alle, elk, ieder’, een woord van onbekende herkomst.
De term omnibus is wrsch. geïntroduceerd door de Franse ondernemer Stanislas Baudry, die vanaf 1825 in Nantes een passagierskoets liet rijden van en naar zijn stoombaden even buiten de stad. De koetsreis trok veel publiek; daarop liet Baudry in 1828 in Parijs op diverse vaste trajecten een passagiersdienst rijden, waaraan hij de naam omnibus gaf. Volgens sommigen zou hij daarbij geïnspireerd zijn geweest door een woordspeling die een zekere winkelier Omnès in Nantes eerder al maakte, door zijn zaak aan te prijzen met Omnès omnibus ‘Omnès voor iedereen’; een duidelijk bewijs voor deze hypothese is echter nooit gevonden.
De populairiteit van de omnibus-lijndiensten sloeg al snel over naar buitenlandse steden, waaronder Amsterdam. In het Engels verschijnt het woord al in 1829 (OED); in deze taal werd voor het eerst de verkorting bus [1832; OED] gevormd, waaruit door ontlening ook Nederlands → bus 2.
Lit.: Gebr. Diederichs & J. Elterman (1839), Omnibus kaart of nieuwe plattegrond der stad Amsterdam, waarop alle de omnibusliniën zijn aangetekend, Amsterdam; Grauls 2001

omnibus 2 zn. ‘verzameling verhalen’
Nnl. omnibus ‘bundel verhalen, toneelstukken enz. in één band’ in de boektitels Omnibus, verzameling van gezelschaps-voordragten van ernstigen en humoristischen inhoud, geschikt voor partijën, collegiën, bruiloften, enz. (auteur Martin) [1867; Picarta] en De A.M. de Jong omnibus ‘bundel met 7 eerder verschenen verhalen en novelles van deze schrijver’ [1937; Picarta].
Ontleend, wrsch. ook in de betekenis ‘bundel verhalen’, aan het in die betekenis pas later geattesteerde Engels omnibus [1930; OED], verkorting van omnibus book ‘boek met een verzameling herdrukte teksten van één auteur of een verzameling teksten met één bepaald thema, aantrekkelijk geprijsd’ [1929; OED], letterlijk ‘boek met allerlei zaken’; eerder al omnibus ‘tijdschrift over allerlei onderwerpen’ in de titels van tijdschriften, zoals The National Omnibus [1831; OED], ontleend aan Latijn omnibus ‘voor allen, over alle zaken’, zie → omnibus 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

omnibus [openbaar vervoermiddel, boek] {1832 als ‘rijtuig voor alleman’; de betekenis ‘boek’ na 1950} de betekenis ‘openbaar vervoermiddel’ < frans (voiture) omnibus, van latijn omnibus, 3e nv. van omnes [allen], mv. van omnis [ieder, elk], dus: voertuig voor allen, de naam van het vervoer met paardentractie dat in 1820 in Parijs werd ingesteld. In de betekenis ‘boek’ met een aantal werken van één schrijver in een goedkope editie is de gedachte ‘voor allen betaalbaar’; deze betekenis < engels omnibus.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

omnibus

Het woord omnibus betekent: voor allen, maar het vervoermiddel waarop de geleerde Pascal in Parijs in 1662 patent verwierf, was alleen bestemd voor zieken en voor armen die de prijs van een huurrijtuig niet konden betalen. Met name geüniformeerden als soldaten, lakeien en livreiknechten was het gebruik ervan verboden. Deze omnibus werd in 1678 opgeheven. In 1825 vatte een afgedankte officier van Napoleon het denkbeeld van Pascal weder op en organiseerde een dienst in Nantes die begon bij de winkel van een koopman die Omnès heette. Nu betekent het woord omnes: allen en de zakenman schreef op zijn uithangbord: Omnes Omnibus, dus: allen voor allen, maar ook: Omnès voor allen. Reeds in 1828 reden omnibussen in Parijs en vandaar kwam het woord in Duitsland, Nederland en Engeland, waar het tot bus werd afgekort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

omnibus znw. m. v., eerst nnl. is het lat. omnibus ‘voor allenʼ, een kenschetsende naam voor een algemeen vervoermiddel.

De herkomst is aldus: sedert 1825 liet een afgedankte officier van Napoleon Baudry een wagen rijden van Nantes naar zijn badbassin in Richebourg. De wagen reed van de winkel van de koopman Omnès af, die de woorden Omnes Omnibus op zijn uithangbord had gezet. Reeds 1828 treffen wij de naam omnibus in Parijs aan en spoedig daarop werd het verbreid naar Nederland en Duitsland. In Engeland werd het dan verkort tot bus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

omnibus znw. Een internationaal woord. < lat. omnibus “voor allen”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

omnibus s.nw.
Dikkerige boek wat verskillende werke van 'n outeur bevat.
Uit Eng. omnibus (1930) of Ndl. omnibus.
Eng. omnibus uit Latyn omnibus 'vir almal', die derde naamval van omnes 'almal', die mv. van omnis 'ieder, elk'. Ndl. omnibus uit Eng. omnibus.
D. Omnibus (19de eeu).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

omnibus ‘voertuig’ (Frans (voiture) omnibus); ‘boek’ (Engels omnibus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

omnibus ‘openbaar vervoermiddel’ -> Indonesisch omnibus ‘openbaar vervoermiddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

omnibus openbaar vervoermiddel 1832 [WEI] <Frans

omnibus bundel verhalen 1961 [GVD] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

omnibus, de [ʹɔmnibʏs] Koenen 1940 (in other sense); Koenen 1974 (second numbered sense in lemma); Van Dale 1976 (second numbered sense in lemma). Semantic loan from English omnibus n. (= book)

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal