Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

omgeving - (kring waarin men zich begeeft)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

omgewing s.nw.
1. Die mense met wie en die natuurlike gebied waarmee 'n mens elke dag omring is. 2. Die onmiddellik omliggende gebied.
Uit Ndl. omgeving (1825 in bet. 1), 'n afleiding van omgeven 'omring'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

omgeving (Duits Umgebung)

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

omgeving. — Volgens het Wdb. d. Ndl. Taal, X, kol. 235-236, is het gebruik van het woord omgeving. D. Umgebung, foutief “in den zin van de landstreek, die rondom eene plaats gelegen is, gelijk men b.v. in ’t Hoogd. van de Umgebungen eener stad spreekt … Het woord moge op zich zelf goed gevormd zijn, maar het drukt volstrekt niets eigenaardigs uit, wat niet beter met echt-Hollandsche woorden kan gezegd worden, en zou alleen kunnen strekken om het vanouds bekende omstreek, omstreken, tot schade van de taal, allengs te verdringen”. Naast omstreek en omstreken kan men ook nog omtrek, nabijheid, omliggende bezigen. Niettemin moeten wij erkennen dat het gebruik, wat omgeving aangaat, de overhand heeft op het verzet van De Vries.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

omgeving. In navolging van het Hoogduitsche umgebungen, vond ik wel eens, ook bij goede schrijvers, van de omgevingen eener stad, in plaats van hare omstreken, van de omgevingen van een’ Vorst, voor zijne hovelingen, of de hem omringenden gewaagd. Het behoeft intusschen naauwelijks melding, dat dit met het echt Nederlandsch taalgebruik geheel strijdig is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

omgeving ‘kring waarin men zich begeeft’ -> Fries omjouwing ‘kring waarin men zich begeeft’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

inburgeren [deel gaan uitmaken van een gemeenschap] (1847). De beroemde neerlandicus Matthijs Siegenbeek (1774-1854) publiceert in 1847 een Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strydende, waarin hij zich richt tegen de germanismen die in het Nederlands worden opgenomen. In die lijst staat ook het woord inburgeren. Andere woorden die Siegenbeek afkeurt, zijn bijvoorbeeld aanhankelijkheid, afzet, bespreken, betwijfelen, bewonderen, bijbrengen, indelen, omgeving, onbevangen, ongekunsteld, opleven, verhouding en verkeer. In de negentiende eeuw spelen de Duitse wijsbegeerte (Kant, Hegel, Schopenhauer), literatuur (Goethe, Schiller), taalkunde (gebroeders Grimm), natuurwetenschap (Humboldt) en oude geschiedenis (Ranke) een rol van betekenis in de wereld. Ook de Duitse industrie en handel hebben in die tijd veel invloed op de rest van Europa. En invloed op economisch of cultureel terrein betekent vrijwel altijd ook invloed op de taal. En tegen die invloed op de taal komt dan meestal weer een reactie, zoals blijkt uit het geschrift van Siegenbeek, die hiermee als eerste op de Duitse invloed reageert.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

omgeving kring waarin men zich begeeft 1825 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal