Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

om - (voorzetsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

om vz., o.a. ‘nabij’
Onl. umbe in umbeuuath ‘om wat (= waarom)’ [10e eeuw; W.Ps.], umbe middendach ‘rond de middag’ [ca. 1100; Will.], umbe einen lutzel scaz ‘om een klein bedrag’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. ombe, omme, om ‘om’: int land dat leghet om hem ‘in het land dat om hem heen ligt’ [1285; VMNW]. In samengestelde werkwoorden: onl. umbigan ‘rondgaan’, umbifangan ‘omvangen, omringen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.].
Os. umbi (mnd. umbe, umme); ohd. umbi, umbe (nhd. um); ofri. umbe, um(me) (nfri. om); oe. ymbe (me. umbe); on. umb, um (nzw. om); alle ‘om, rondom’, < pgm. *umb-.
Verwant met: Latijn amb-, ambi- ‘rondom’, Oskisch am, Umbrisch am-, an-; Grieks amphí ‘aan beide kanten, rondom’ (zie ook → amfibie); Sanskrit abhí; Oudiers imb- ‘rondom’, Gallisch ambi- ‘id.’; Albanees mbi ‘op, naar’; < pie. *h2m-bhi-/*h2em-bhi- (IEW 34). Verband met → bij 1 is onzeker.
De meeste toepassingen van het voorzetsel om zijn al in de 13e eeuw of eerder geattesteerd: om drukt nabijheid uit (ruimtelijk of temporeel), leidt een beweegreden, oorzaak, aanleiding of verklaring in (‘waarom?’), specificeert een doel (verzoeken om iets) of ruil (nu verouderd, maar bijv. in mnl. .xxv. d omme wijn ‘25 penningen voor de wijn’ [1284; VMNW]).
De oudere vorm omme (door assimilatie uit ombe) komt nog voor in enkele samenstellingen, zoals ommezijde, (in een) ommezien en ommezwaai.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

om* [rond(om)] {oudnederlands umbi- 901-1000, middelnederlands omme, ombe, om, umbe, umme} oudsaksisch, oudhoogduits umbi, oudfries umbe, oudengels ymb(e), oudnoors um(b); buiten het germ. latijn amb-, grieks amphi, oudiers imb-, oudindisch abhi [naar … toe, tegen], abhitas [om]. De uitdrukking hem om hebben [dronken zijn, kwaad zijn] is mogelijk verkort uit de staart om hebben, d.w.z. als een koe die, als zij kwaad is, de staart om haar lichaam slaat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

om voorz. bijw., mnl. omme, om, ouder ombe, umbe, onfrank. umbi-, os. ohd. umbi, ofri. umbe, umme, um, oe. ymbe, ymb, on. umb, um ‘omʼ. — Idg. grondvorm *ṃbhi, vgl. gall. ambi-, oiers imb, imme, naast *ambhi vgl. gr. amphí, lat. ambi-, amb- (IEW 34). — Zie verder: bij 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

om voorz. bijw., mnl. omme, om, ook nog ombe (um(me), umbe). = onfr. umbi- (in samengestelde ww.), ohd. umbi (nhd. um), os. umbi, ofri. umbe (ook al umme, um), ags. ymbe, ymb, on. umb, um “om”. Verwant resp. identisch met ier. im(m), imb- “om”, gall. in Ambi-trebius pagus, lat. amb- “om, rond”, gr. amphí “om” (amphí-s “aan beide kanten”), oi. abhi in abhí-taḥ “aan beide kanten”: in abhí “bij” (e.a. bett.) zullen wij wel alleen idg. *obhi (zie bij I) moeten zien; men neemt wel aan, dat in dezen vorm *obhi en *ṃbhi zijn samengevallen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

om bijw. en voorz., Mnl. omme, Onfra. en Os. umbi + Ohd. id. (Mhd. umbe, Nhd. um), Ags. ymbe, Ofri. umbe, umme, On. umb (Zw. en De. om) + Skr. ambhi, Gr. amphí, Lat. amb- in ambire, Oier. im(m); een vorm zonder nasaal is Skr. abhi, Lat. ob (z. bij) en een vorm met p: Skr. api, Gr. epí, Germ. af, Lit. ape. De volle vorm omme (die alleen in samenstellingen kon voorkomen) staat tot om als ave, ane, mede tot af, aan, met. — Voor om in om hals, om het leven, z. omkomen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

um (vz.) 1. om 2. met het doel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) um, Vreugmiddelnederlands umbe <1151-1200>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

omma: – omme – , uitr. teenoor diere (veral teenoor ’n koei om by die melk reg te staan), slot-a uit -e is gew. i. Afr. (v. -a); Ndl. om (Mnl. ombe/omme, wat verb. hou m. Lat. amb-, Gr. amphi-), vgl. kompo. m. omme- in Ndl./Afr., soms net verst. soos in ekke.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

om. Wordt gebruikt in uitroepen van aandrang of nadruk als om godswil; om ’s hemels wil. De oorspronkelijke betekenis van deze uitroepen was ‘ter liefde voor God, om God welgevallig te zijn’. De verbinding om de liefde Gods wordt gebruikt in Vlaanderen en is een leenvertaling van het Franse pour l’amour de Dieu. → wil.

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

om-

De scheidbare werkwoorden met om- (‘anders’), zoals ombouwen, omdopen, omkleden, omleggen, omrekenen, omschakelen, omscholen, omsmelten, omspoelen, omvormen:

a. ombouwen

Dit wordt door alle puristen als een germanisme (D. ‘umbauen’) veroordeeld voor ‘verbouwen’. De meeste woordenboeken hebben ombouwen zelfs niet opgenomen. De vertaalwoordenboeken Van Gelderen en Jansonius vermelden het echter zonder afkeuring. In de laatste tijd is nu ook Koenen van mening veranderd: wat hij eerst als een ‘verwerpelijk germanisme’ beschouwde, vindt hij nu correct Nederlands.

Ombouwen wordt trouwens vaak gebruikt, in de geschreven pers zelfs vaker dan ‘verbouwen’, dat slechts i.v.m. gebouwen schijnt voor te komen. Ombouwen daarentegen wordt ook i.v.m. machines, toestellen en in figuurlijke betekenis gebezigd:

‘Een 74 ton metend vaartuig, de “Christiane”, dat is omgebouwd voor de sportvisserij...’. (Het Laatste Nieuws, 9.10.72, p. 1)
‘Pas daarna kan de schijn-uitspraak ... worden omgebouwd tot echte beslissende uitspraakmogelijkheden van mondige mensen.’ (De Groene, 13.11.72, p. 4)

Soms wordt ombouwen en verbouwen (waarschijnlijk ter afwisseling) naast elkaar gebruikt; een bewijs dat ze dan als gelijkwaardig beschouwd worden:

‘...men wil het gebouw voor 150 000 gulden verbouwen ...’; een hotelhouder ... die het gebouw tot een flatgebouw ... wilde ombouwen...’) (Elseviers Magazine, 19.9.70. p. 153)

Men vindt zelfs het reflexief gebruikte werkwoord:

‘Wanneer de KVP zich (alleen) zou ombouwen tot een progressieve volkspartij...’ (Elseviers Magazine, 15.1.72, p. 48)

Het van ombouwen afgeleide substantief ombouw wordt, behalve door van Gelderen en Jansonius, nog door geen woordenboek aanvaard. Van Dale vindt het zelfs ‘een zeer af te keuren germanisme’. In de kranten zal men het hier en daar tegenkomen, maar minder vaak dan het werkwoord. Het heeft ‘verbouwing’ nog niet kunnen verdringen:

‘...het ombouwprogramma’ (van het aardgasnet) (Het Volk, 12.10.72, p. 4)
‘Mercedes scheepsdieselmotoren... Ook losse ombouw...’ (Algemeen Dagblad, 12.10.72, p. 26)

In het volgende voorbeeld heeft men de indruk, dat de journalist nog geschroomd heeft het substantief naast het adjectief te gebruiken:

‘...als de verbouwing achter de rug is...; een tot inrichting omgebouwde oude villa.’ (Elseviers Magazine, 27.2.71, p. 104)

b. Omdopen

Koenen is het enige verklarende woordenboek dat dit germanisme (D. ‘umtaufen’) voor ‘her-, verdopen’ vermeldt. Het schijnt nochtans, zij het in beperkte mate, gebruikt te worden want de vertaalwoordenboeken Van Gelderen en Jansonius hebben het opgenomen.

c. Omkleden (zich -)

Dit wordt door de puristen als een germanisme (D. ‘sich umkleiden’) voor ‘verkleden’ beschouwd.

De woordenboeken zijn het met dit strenge oordeel echter niet eens: tot aan het begin van de jaren ’70 aanvaarden ze (zich) omkleden als volwaardig Nederlands. In zijn druk van 1976 ziet Van Dale er echter weer een germanisme in.

Niettemin is het volledig ingeburgerd: het wordt waarschijnlijk al vaker gebruikt dan ‘(zich) verkleden’ dat altijd, zoals Van Ginneken zei, een beetje aan carnaval doet denken.

d. Omleggen

Omleggen in ‘een weg omleggen’ is volgens sommige puristen een germanisme (D. ‘umleiten’!) voor ‘verleggen’. Als correct beschouwen ze echter ‘het verkeer omleggen’.

Eigenaardig is wel dat de meeste woordenboeken helemaal geen bezwaar maken tegen deze ‘germanistische’ betekenis van omleggen.

Vanaf 1976 signaleert Van Dale echter als enige een ander germanistisch gebruik van omleggen, in de zin van ‘doden’: iemand omleggen’ (D. ‘jemand umlegen’).

Het substantief omlegging heeft minder succes gehad dan het werkwoord: slechts Van Dale en Koenen vermelden het met de betekenis van ‘verlegging’. De samenstelling wegomlegging echter wordt door alle woordenboeken als correct Nederlands beschouwd.

Noé [Handleiding bij de taalzuivering, Brugge/Utrecht, 19696.] maakt het volgende verschil tussen omlegging, verlegging en omleiding:

omlegging: wanneer de oude weg hersteld wordt en tijdelijk buiten gebruik is;

wegverlegging: wanner slechts een gedeelte van de weg voor het verkeer bruikbaar is;

omleiding(sweg): weg ter vermijding van bebouwing (maar de oude weg blijft bestaan); om het (levende) verkeer om te leiden.’

Van Dale schrijft echter over omlegging:

‘ook de omgelegde weg, een weg die om of langs een bepaald gebied loopt om het doorgaande verkeer van dit gebied af te leiden.’

De volgende voorbeelden tonen aan dat omlegging en omleiding in dezelfde betekenis naast elkaar gebruikt worden:

‘De politie organiseerde onmiddellijk enkele omleidingen.’ (Het Laatste Nieuws, 11.10.72, p. 11)
‘...verkeersomlegging te Vilvoorde...’ (Het Laatste Nieuws, 9.10.72, p. 10)

e. Omrekenen

Omrekenen, bijv. in ‘guldens in dollars omrekenen’, wordt tot in de jaren ’60 door de meeste puristen als een germanisme (D. ‘umrechnen’) beschouwd voor ‘herleiden’.

De woordenboeken hebben omrekenen echter reeds vanaf de jaren ’50 als correct Nederlands opgenomen. Ook tegen het substantief omrekening maakt niemand meer bezwaar:

‘...omdat de kwalitatieve ernst van een delict daarmee door omrekening omgezet kon worden in een kwantitatieve tijdsduur.’ (De Groene, 8.1.72, p. 3)

f. Omschakelen

Dit werd nog in de jaren ’50 door de puristen als een germanisme (D. ‘umschalten’) beschouwd. In alle woordenboeken staat het echter, in zijn verschillende toepassingen, als correct Nederlands:

‘1. de elektrische stroom omschakelen; 2. (fig.) de fabrieken werden op de oorlogstoestand omgeschakeld; 3. van kolengas op aardgas omschakelen; zich omschakelen (= aanpassen)’ (Koenen).

g. Omscholen, omscholing

Beide woorden schijnen tamelijk recent te zijn: men vindt ze voor het eerst aan het begin van de jaren ’40.

Het puristische genootschap Onze Taal en de Centrale Commissie voor de Technische Taal (CTT) beschouwen ze als germanismen voor ‘herscholen, herscholing’. Ook Van Dale, die deze woorden pas vanaf 1961 opneemt, wil ze niet als correct Nederlands aanvaarden. Tot in 1973 veroordeelde Koenen omscholing zelfs als een ‘verwerpelijk germanisme’. Vanaf 1974 heeft hij echter de consequenties getrokken uit het veelvuldig gebruik van omscholen en omscholing: Hij aanvaardt ze nu als goed Nederlands. Inderdaad komen ze beide reeds vaker voor dan ‘herscholen’ en ‘herscholing’.

In de volgende voorbeelden ziet men dat er soms een betekenisverschil bestaat tussen om- (= anders), her- (= opnieuw) en bijscholing (= iets aan de scholing toevoegen):

‘Om- of bijscholing op staatskosten opent de weg naar een baan.’ (NRC, 14.10.72, p. 21)
‘Als ze aan een ander produktieproces hebben gedacht, zullen ze zich heel wel gerealiseerd hebben dat voor her- of omscholing de Bredase werknemers economisch onrendabel zijn.’ (De Groene Amsterdammer, 13.11.72, p. 8)

Omscholen en omscholing zijn dus helemaal ingeburgerd, ook al hebben sommige woordenboeken (bijv. Verschueren en Kramers) ze nog niet opgenomen.

h. Omsmelten

Dit wordt door enkele puristen als een germanisme (D. ‘umschmelzen’) beschouwd voor ‘oversmelten, opnieuw smelten’.

De woordenboeken zijn het niet eens over dit woord: Van Dale, Kramers, Van Gelderen en Jansonius keuren het goed, de andere hebben het niet eens opgenomen.

In de geschreven pers wordt het zowel in de eigenlijke als in de figuurlijke betekenis gebruikt:

‘Lege blikjes kunnen worden omgesmolten.’ (Elseviers Magazine, 26.8.72, p. 43)
‘...maar dan zouden de drie zich tot één christen-democratische partij moeten omsmelten.’ (Elseviers Magazine, 12.12.72)

i. Omspoelen

Omspoelen in de zin van over-, herspoelen’ bijv. in ‘een film omspoelen’, wordt slechts door enkele puristen (zoals Heidbuchel) gesignaleerd. Ze beschouwen het als een germanisme.

De algemene verklarende woordenboeken hebben dit woord nog niet opgenomen maar opmerkelijk is toch dat een technisch woordenboek als Elsevier’s Dictionary of Cinema, Sound and Music geen bezwaar maakt tegen omspoelen en omspoeler in deze betekenis.

j. Omvormen

Omvormen wordt door de meeste puristen als een germanisme (D. ‘umformen’) beschouwd voor ‘vervormen’. Nochtans geven sommigen van hen toe dat het veel gebruikt wordt.

De woordenboeken zijn het weer eens niet eens: Kramers en Weijnen vermelden het niet; volgens Verschueren, Van Gelderen, Jansonius en nu ook Koenen (vanaf 1974) is het correct Nederlands. Van Dale blijft het als een germanisme beschouwen; hij stoort zich dus niet aan het veelvuldig gebruik in de kranten, waar men ook reeds omvorming vindt:

‘Daarom zullen we ... 1 480 full-time betrekkingen moeten omvormen tot half-time jobs.’ (De Standaard, 14.10.72, p. 6)
‘Toen die spits uitviel had men het elftal moeten omvormen.’ (De Groene, 13.11.72, p. 7)
‘...de omvorming van het politie-apparaat tot een neutrale gemeenschapsbescherming’ (De Nieuwe, 1.12.72, p. 9)
‘...een omvattende omvorming van de maatschappij...’ (De Groene, 6.11.72, p. 5)

Samenvattend kunnen we zeggen dat (zich) omkleden, (een weg enz.) omleggen, omrekenen, omschakelen, omsmelten als ingeburgerd worden beschouwd. Omspoelen komt slechts sporadisch voor. Omdopen, ombouwen, omscholen en omvormen worden soms nog afgekeurd maar de laatste drie komen zo vaak voor, dat men ze, ondanks de veroordeling door sommige woordenboeken, reeds als ingeburgerd mag beschouwen.

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Om 1911
“Rusland steunde om 1911 Duitschland zoowel te Londen als te Parijs” (genl. H. L. van Oordt). - Een gelukkig nog weinig voorkomend gebruik van om naar D. um bij jaartallen.
Ned. is omstreeks 1911.

Om te of te?
Wie mondeling vertelt, gebruikt om te telkens en telkens weer. Wie zich schriftelijk uitdrukt en prijs stelt op scherpte en bondigheid van uitdrukking, moet om te niet begunstigen. Het klinkt veelal teuterig en onzeker.
In boek, krant en tijdschrift krielt het tegenwoordig van om te, waar het den goeden loop van den zin belemmert. In al de volgende voorbeelden is om een sta in de weg.
De minister gaf Voorzitter en Secretaris der vereeniging de gelegenheid om hem de grieven kenbaar te maken. Ons Bestuur ontving de uitnoodiging om een afgevaardigde te benoemen. Het Carlton-hotel houdt ook hierin zijn naam op om een groot hotel te zijn. Hij deed tot God het gebed om hem om te scheppen. Gij kunt nimmer het recht hebben om weerloozen te smaden. De partij is er alléén niet in staat toe om de regeering omver te werpen. Hij is er de man niet naar om de waarheid te verbloemen. Amsterdam zal toch voor de noodzakelijkheid komen te staan om zijn loonstandaard te verlagen. Hoogstaand man als hij was (> die hij was) bleef hij nimmer in gebreke, als er op hem een beroep werd gedaan om de nooden van anderen te leningen.
De taal bezigt om te in de volgende gevallen.
1. om aan te duiden het doel of de bestemming van een handeling: Zij voeren er op uit om te visschen. De roerganger stond klaar om te wenden. Men doet alles om den dader op te sporen.
Staat reeds in den hoofdzin doel of een zinsverwant woord, dan vervalt om. Hun doel was, al luierende rijk te worden. De directeur der fabriek knoeide met het oogmerk, de gaten in de kas weer te kunnen stoppen. Wij kregen lust, dien brutalen klant de deur uit te zetten. Voorts vermijde men in goeden stijl om, als het gezegde in den hoofdzin bestaat uit een vorm van zijn met een adjectief: Wij zijn bereid, aan uw verzoek te voldoen. Wees zoo goed, ons uw meening te zeggen.
2. als er in den hoofdzin een adjectief of een bijwoord staat, voorafgegaan door te: Hij is te dom, om voor den duivel te dansen; of ook bij genoeg of een zinverwant woord: Zij zijn roekeloos genoeg om den boel in brand te steken. De patroon was nu genoegzaam (voldoende) ingelicht over zijn nieuwen boekhouder om te begrijpen, wat voor vleesch hij in de kuip had. Dit argument was afdoende om hem tot zwijgen te brengen. Er was nog net zoo veel over om fatsoenlijk failliet te kunnen gaan. Wij zijn er goed genoeg voor, om voor u het vuile werk op te knappen.
3. in constructies als: Het is om er gek van te worden. Hij zette een gezicht om er bang van te worden. Hij heeft geen hoofd om te leeren. Ze zag er uit om te stelen. Ze deed zoo poeslief om haar een klap in het gezicht te geven. - Hier noemt de bijzin een hoedanigheid of een gevolg.
Aardig zijn combinaties van deze soort: Hij trok naar Indië om daar in de kampong terecht te komen. Als zettersjongmaatje begonnen leerde hij het vak in de perfectie om later met de dochter van zijn patroon te trouwen en diens compagnon te worden. De bestolene rende den dief achterna om hem twee straten verder in te halen.
Van taalschennis kan hier niet gesproken worden, want in zulke zinnen met om te wordt naar het voorschrift der taal het doel vermeld. Het eenige is slechts, dat de makers in hun haast of in hun sufheid een doelzin neerplakken in plaats van een vervolgzin te schrijven.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

Overbodig gebruik van het voorzetsel OM.
Als voorzetsel en als bijwoord heeft om verschillende dikwijls zeer uiteenloopende beteekenissen, maar in zinnen als de volgende is dat gebruik in het Nederlandsch volstrekt overbodig en blijkbaar ontstaan door bijgedachte aan D. um. Men wil er de beteekenis van ter waarde, ten bedrage van aan hechten, of althans er een versterking in zien, die door het gewettigd taalgebruik bij ons niet geduld wordt, ’t Is louter Duitsch.
|| Om wille van dien “Generalpardon” zijn nu dit jaar zeer velen om duizenden en millioenen rijker geworden, H. L., IX, 9, 3 (ter versterking zou men hier kunnen zeggen... wel duizenden en millioenen rijker geworden). Ten anderen het nieuw amendement verschilde in zijn draagwijdte om geen zier van dat van Dr Delbeke, Frans van Cauwelaert in H. L., IX, 18, 2.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

om* voorzetsel 1272 [MNW]

om* bijwoord van plaats 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1665. Em om hebben.

Dit wordt gezegd van iemand die te veel ‘opheeft’, dus in den zin van dronken zijn, een (of den) bok aan 't touw hebbenN. Taalgids XII, 147; ook in 't fri. hy het de bok oan 't tou, hij is dronken., em staan hebben (fri. ik hab him stien as in mûs); Zuid-Nederland: ze staan hebben of het staan hebben, dronken, sikker zijn. Vgl. P.K. 70: Hij is vet, roept een van 't schellinkie. Hij heit 'era om hoor! gilt een ander; Nkr. III, 9 Mei p. 2: Oranje boven, wát ook kom, ik volhard in 't edel streven en heb 'm ied'ren avond om; Zevende Gebod, 43: Ach leg niet te klesse! Jij heb'm weer om; Jong. 178: Als ze over die heere van 't hof begint, heit ze em lekker om; S.M. 46: Jij denkt dat ik 'm om heb - niks van an, niks; bl. 89: De jongens, die als hazen weg holden, lachend en roepend: ze hebben 'm om, hou je roer recht, hou je roer recht! Op R. en T. 106: De bazin die telkens weder verteederd in zijn armen zonk, omdat hij toch ‘zoo'n leuk moffie’ was als hij 'm niet om had. De beteekenis van om is hier niet duidelijk; misschien mogen we in de uitdr. eene verkorting zien van het door Harreb. I, 445 a vermelde: Hij heeft den kraag om (of aan), hij is dronken. Zie Een stuk in den kraag hebben.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ambhi, m̥bhi ‘um-herum, zu beiden Seiten’, auch ambhō(u) Du. ‘beide’ und ähnliche auf -bhi-, -bho- ausgehende Formen

Arm. ambołǰ ‘vollständig, unversehrt’ (zu ołǰ ‘gesund’), gr. ἀμφί ‘um’ (ἀμφί-ς ‘zu beiden Seiten’, mit demselben Adverbial -s wie z. В. ἄψ, λικριφίς, s. Brugmann Grdr. II2 2, 737); lat. amb- (vor Vokal, z. B. ambigō), am-, an- (vor Kons., z. B. amputō, amiciō aus *am[bi]jaciō) untrennbares Prafix ‘herum, um, ringsum’, alat. auch Präp. am ‘circum’ m. Akk. (ambi - im Sinne von ‘beide’, den auch anceps zeigt, ist dagegen späte Bildung zu ambō), umbr. amb- (amboltu), a- (a-ferum ‘circumferre’), an- (an-ferener ‘circumferendi’), osk. amvíannud ‘circuitu, Umweg’, amnúd ‘circuitu, causā’ (kaum *amb-beno- : veniō, sondern no-Ableitung, s. v. Planta II 32, 623); mit-er-Erweiterung nach praeter-eō, intereō (s. v. Planta II 455, WH. I 36), umbr. ampretu, ambretuto ‘ambito, ambiunto’, vielleicht auch osk. amfret ‘ambiunt’ (eher nach Schulze KZ. 45, 182 = Kl. Schr. 468 in *am-ferent ‘circumferunt, περιάγουσι’ zu zerlegen; keine lat. Spur der gleichen -er-Erweiterung in amfrāctus ‘umgebogen’, das vielmehr aus am-frāctus); über den ON Amiternum s. Schulze Lat. Eig. 541; mit ti-Erweiterung (nach pos-t, per-t, Buck Elementarbuch 65) osk. ampt ‘circum’ (wie umbr. ambr- zunächst auf Grund des aus amf- vor Kons. vereinfachten am-); alb. mbi, mbɛ ‘bei, auf, an’ (G. Meyer Alb. Wb. 265).
m̥bhi: ai. abhí-taḥ, av. aiwito ‘zu beiden Seiten, rings’ (über av. aibiš, apers. abiš strittiger Bed. s. Pedersen KZ. 40, 127, Bartholomae IF. 19, Beiheft S. 106; die Endung -s in geschichtlichem Zusammenhang mit der von gr. ἀμφίς?); ai. abhí kann in der Bed. ‘um’, apers. abiy, av. aibī, aiwi in der Bed. ‘über, in betreff von’ aus *m̥bhi stammen oder idg. *obhi oder *ebhi fortsetzen; gall. ambi- ‘um’ (z. B. ᾽Αμβί-δραυοι ‘die am Fl. Dravos Wohnenden’), cymr. am- (durch i-Urnlaut em-, ym-), corn. bret. am-, em-, air. imb-, imm- ‘um’; ahd. as. umbi, aisl. umb, ags. ymb, ymbe ‘um’ (im Got. von bi aufgesogen).
bhi: got. bi in der Bed. ‘um’, mit Auslautdehnung in betonter Stellung as. ags. be-, bī-, ahd. bi-, bī-, nhd. bei (über zweifelhafte Ableitungen s. Falk-Torp 37 und 1437 unter bil II ‘Zwischenraum, Zeitraum’, 73 und 1437 unter billede ‘Bild’).
ambhō(u) ‘beide’:
Gr. ἄμφω ‘beide’ (Ableitung ἀμφότερος); lat. ambō, -ae, -ō ‘beide’;
ai. ubhāu ‘beide’, av. uwa- ds.; lit. abù, aksl. oba ds.; got. bai m., ba n., Gen. *baddjē (bajōþs, s. zur Bildung Brugmann Grdr. II2 2, 77; anders - im Ausgang zu lat. nostrātes - Fick III4 255), as. bē thie, ags. , þā, engl. both, ahd. beide, bēde, anord. bāðer, Gen. beggja ‘beide’ (: got. *baddjē < bai̯i̯ē); toch. A āmpi, āmpe, В ant-api.
Von diesen wurde ai. ubhāu, av. uwa bisher als Zusammensetzung mit einem u- ‘zwei’ (lat. uīgintī) betrachtet; Sommer IF. 30, 404 leugnet ein solches u- und betrachtet die ar. Formen als durch den Labial bewirkte Verdumpfung eines *abhāu = *m̥bhōu unter Berufung auf ai. Kubera-ḥ aus *Kabēraḥ (vgl. Patronymikon Kāberaka-ḥ; Wackernagel KZ. 41, 314 ff). Lit. abù, aksl. oba beruhen wohl auf Umbildung von *amb-o zu einer Zeit, als die Präp. *ambhi ‘um’ zugunsten von *obhi (ab. obъ, s. lat. ob) aufgegeben wurde.
Das Verhältnis *ambhō(u), *ambhi: got. usw. bai, bi läßt es kaum zweifelhaft sein, daß am- (vielleicht aus an-4) ein erstes Kompositionsglied sei, der zweite Teil ist idg. *bhōu ‘beide’.

WP. I 54 f., WH. I 36 f., Feist 74 a, 88, Pedersen Tocharisch 82.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal