Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

olm - (iep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

olm zn. ‘iep, loofboom (geslacht Ulmus)’
Mnl. olm ‘iep’ mogelijk in een toenaam Gosset van der Olmen [1312; VMNW], ook in de vorm orme in joncfrouwen ... die onder .ij. ormen saten ‘jonkvrouwen die onder twee iepen zaten’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. olm, olm-boom ‘iep’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Frans olme ‘iep’ [eind 11e eeuw; TLF] (Nieuwfrans orme, vandaar ook de nevenvorm mnl. orme), ontwikkeld uit Latijn ulmus ‘iep’. De naam olm is vooral Zuid-Nederlands. In het noorden heet deze boom → iep. In sommige Germaanse talen komt een met Latijn ulmus verwant erfwoord voor; in het Nederlands alleen in toponiemen, bijv. Almelo, letterlijk ‘iepenbos’ [1151; Künzel].
Oe. olmtrēow ‘iepenboom’; on. almr (nzw. alm); < *pgm. *alm-. Daarnaast met andere ablaut pgm. *elm-, waaruit: ohd. elm, elmo (mhd. elme, elm, ilm); oe. elm (ne. elm). Nhd. Ulme is ontleend aan het Latijn.
Verwant met: Middeliers lem; < pie. *h1el- /h1ol-/h1l- ‘rood, bruin, geel (van bomen en dieren)’ (IEW 302-304), waarvan wrsch. ook → els 1 ‘boom’.
Lit.: H.M. Heybroek (2002), ‘Ulmen in Geschichte und Kultur’, in: Mitteilungen der Gesellschaft für dendrologische Geschichte 87, 147-161

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

olm1 [iep] {in de persoonsnaam Van der Olmen 1276, olm, olmboom 1599} < frans olme < latijn ulmus [iep].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

olm 1 znw. m. ‘boomnaamʼ, mnl. olme > fra. olme < lat. ulmus. Deze naam is reeds vroeg ontleend blijkens plaatsnamen (sedert 800). — De germ. vorm is mnd. elm, ohd. elmo, elm, ilme, oe. elm, on. almr. — Lat. ulmus gaat terug op *ḷomos < *ḷmos en van deze nultrap stamt ook miers lem en zou ook germ. *ulma kunnen komen. De boomnaam behoort tot het germ.-kelt.-ital. taalgebied, vgl. Krahe, Sprache und Vorzeit 80). Men denkt aan een idg. wt. *el, ol ‘grijsgeelʼ, waarvan ook els 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

olm znw., mnl. olme (Mnl. Handwdb.). Uit lat. ulmus “olm”, evenals nhd. ulme v., mhd. ulm-boum m., of uit ofr. olme, bijvorm van orme (uit lat. ulmus). In het Mnl. komt orme v. voor (uit fr. orme). Voor ulmus zie els I. Ook kymr. llwyf “olm” moet bij de daar behandelde woordgroep hooren; hoe echter, daarover bestaan slechts vage vermoedens.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

olm 1 m. (boom), olme, gelijk Hgd. ulme, uit Lat. ulmum (-us) + Oier. lem. Daarmee zijn Ohd. elm (Mhd. id.), Ags. id. (Eng. id.) en On. almr (Zw. en De. alm) verwant en staan in ablautsverhouding. Voorts verwant met els 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

olm s.nw.
Tipe Europese bladwisselende boom.
Uit Ndl. olm (al Mnl.).
Ndl. olm uit Fr. olme uit Latyn ulmus.
D. Ulme (12de eeu), Deens alm, Eng. elm, It. olmo, Sp. olmo, Sweeds alm.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

olmen zn. mv.: vruchtjes van de meidoorn. Door reïnterpretatie van hiepe ‘bes van de meidoorn’ (zie i.v.) als iepe ‘iep, olm’.

olmenboom zn. m.: iep. Mnl. olme ‘iep’, Vnnl. olm ‘ulmus’ (Kiliaan). Uit Ofr. olme > Fr. orme < Lat. ulmum. Ook D. Ulme, E. elm. - Bibl.: A. Carnoy, De olm in naam- en taalkunde. Med. Ver. Naamk. 34 (1958), 7-13.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

olm (ZO), zn. m.: iep. Mnl. olme 'iep', Vnnl. olm 'ulmus' (Kiliaan). Uit Ofr. olme > Fr. orme < Lat. ulmum. Ook D. Ulme, E. elm. - Bibl.: A. Carnoy, De olm in naam- en taalkunde. Med. Ver. Naamk. 34 (1958), 7-13.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

olm I iep (Zuid-Nederland). « lat. ulmum (4e nv.) ‘id.’, eventueel via ofra. olme ‘id.’.
Weijnen 1975, 200.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

olm 1, zn. m.: iep. Mnl. olme. 1392 van vii else, v olmen ende ii wulghen, Kortrijk (OWW). Uit Ofr. olme > Fr. orme < Lat. ulmum. Ook D. Ulme, E. elm. - Lit: A. Carnoy, De olm in naam- en taalkunde. Med. Ver. Naamk. 34 (1958), 7-13.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

iep
Gladde iep | Ulmus minor Mill.
Ruwe iep | Ulmus glabra Huds.

De bomen van het geslacht Ulmus heten in het Nederlands Iep of Olm, waarbij de naam Iep thans in de flora’s de voorkeur krijgt.

In de kruidenboeken van de Vlamingen Dodoens (1554,1583) en De Lobel (1581) wordt voor de Olm alleen de namen Olmboom en Olmen gebruikt. Olm is afkomstig van het Oudhoogduits elm-boum, waarin elm roodachtig geel betekent en slaat op de kleur van het vers gehakte hout. Een heel oude Latijnse naam voor de boom is Ulmus, nu de wetenschappelijke geslachtsnaam, waaruit natuurlijk ook de naam Olm afgeleid kan zijn. Pas in de 17de eeuw en later zien we als synoniemen voor de boomnaam Olm de namen Iepen-boom, Ipenboom, IJpenboom en Yepenboom optreden, die tot de hedendaagse verkorte naam Iep geleid hebben. Oorspronkelijk zou Iper een Nederduitse en Frankische naam voor de Olm geweest zijn die dan geleid heeft tot de hiervoor vermelde namen en tot Iep. Wat Iper oorspronkelijk betekende blijft in het ongewisse.

Er is een controverse over het verband tussen de boomnaam Iep of Ip en verwante namen en de naam van de stad Ieper. Volgens sommige etymologen is de naam van de stad Ieper afgeleid van de boomnaam Iep, volgens anderen gaven precies de oudere namen van de stad Ieper, zoals Ipris en Ypra, aanleiding tot de boomnaam omdat in de grote omgeving van Ieper Olmen met bijzonder grote bladeren op grote schaal gekweekt werden.

Van de Gladde iep zijn er variëteiten, zoals Ulmus minor var. minor, waarvan de bladeren kaal, glanzend en donkergroen zijn, vandaar glad in de naam. Een andere variëteit van de Gladde iep, namelijk Ulmus minor var. vulgaris, die gewoonlijk de Veldiep genoemd wordt, heeft permanent ruwe bladeren. De bladeren van de Ruwe iep voelen aan beide kanten ruw aan, vooral de bovenkant, vandaar ruw in de naam. Glabra in de wetenschappelijke naam betekent glad en dat slaat dan op de schors die eerst donzig is en dan voor vele jaren glad blijft.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

olm (Oudfrans olme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

olm ‘iep’ -> Duits Ulme ‘iep’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

olm iep 1276 [CG I1, 318] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal