Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oktober - (tiende maand van het jaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

oktober zn. ‘tiende maand van het jaar’
Ontleend aan de Latijnse maandnaam octōber (genitief octōbris), zelfstandig gebruik van het bn. in de verbinding mēnsis octōbris ‘oktobermaand’, waarin het tweede woord is afgeleid van octō ‘acht’, verwant met → acht 1, de achtste maand gerekend vanaf het oude jaarbegin op 1 maart. Zie ook → september, → november en → december, resp. de ‘zevende’, ‘negende’ en ‘tiende maand’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oktober [tiende maand] {octobrem 1050, october 1279} < latijn (mensis) October, mensis [maand], October, van octo [acht]; oorspr. was oktober de achtste maand van het jaar (vgl. januari).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oktober znw. m., mnl. october < lat. october ‘de achtste maandʼ.

In het mnl. gebruikte men de inheemse namen aerssel- of herselmaent, roselmaent, saed- of saeimaent en wijnmaent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oktober znw., reeds mnl. (Mnl. Handwdb.); vgl. september. De echt-mnl. namen voor “October” zijn aerssel-(hersel-)maent, roselmaent, saed-(saei-)maent, wijnmaent.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

October m., uit Lat. id.: z. acht 1 en december.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

optober zn.: oktober. Volksetymologische associatie met op.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

oktober (Latijn (mensis) October)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

October is letterlijk de achtste maand, daar bij de Romeinen het jaar met Maart begon.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

October, van ’t Lat. octo = 8; oorspr. de 8ste maand.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oktober ‘tiende maand’ -> Indonesisch Oktober ‘tiende maand’; Madoerees oktobēr ‘tiende maand’; Minangkabaus oktober ‘tiende maand’; Nias okitoba ‘tiende maand’; Soendanees Oktobĕr ‘tiende maand’; Singalees oktōbara, oktōmbara ‘tiende maand’; Negerhollands october ‘tiende maand’; Papiaments òktober ‘tiende maand’; Sranantongo oktober ‘tiende maand’; Sarnami aktobar ‘tiende maand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oktober tiende maand 1279 [Toll.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal