Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ogenschijnlijk - (blijkbaar)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ogenschijnlijk [blijkbaar] {1841-1845; ouder in de betekenis ‘duidelijk, zichtbaar’ 1591} < hoogduits augenscheinlich.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oënskynlik bw.
Na die uiterlike beskou.
Uit Ndl. ogenschijnlijk (1841 - 1845), so genoem omdat iets op die oog af op 'n sekere manier skyn te wees.
D. augenscheinlich.

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

ogenschijnlijk

In de betekenis van ‘schijnbaar’ wordt ogenschijnlijk als correct beschouwd:

‘de uiterlijke, ogenschijnlijke betrekking der dingen’. (Van Dale)

Het wordt echter ook soms als germanisme (D. ‘augenscheinlich’) gesignaleerd in de zin van ‘blijkbaar’: ‘hij heeft ogenschijnlijk niet de bedoeling gehad’. Deze betekenis is echter verouderd. De meeste woordenboeken hebben ze niet eens opgenomen.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

oogenschijnlijk. — In den zin van schijnbaar (den schijn hebbende, maar ’t wezen niet), naar het uiterlijk (te oordeelen), is oogenschijnlijk niet ongebruikelijk, maar als bijwoord van modaliteit, in den zin van blijkbaar, zou ’t, volgens ’t Wdb. d. Ndl. Taal, kol. 2307, “voor het hedendaagsch taalgevoel een germanisme” zijn. Wat er van zij, het woord staat, als bijvoeglijk naamwoord en als bijwoord, in de meeste woordenboeken, ook in den zin, dien men aan D. augenscheinlich toekent. Bovendien wordt het door de jongere schrijvers nog tamelijk veel gebruikt, als bijvoeglijk naamwoord, in den zin van klaarblijkelijk, zichtbaar, kennelijk, blijkbaar, als bijwoord, in den zin van blijkbaar, kennelijk, zienderoogen (1)

(1) Men mag het bijvoeglijk naamwoord en bijwoord oogenzienlijk (als adjectief gebruikt door Fr. Van Cauwelaert in Handelingen v. h. Congres v. h. Davidsfonds te Lier, 30) niet beschouwen als gevormd naar analogie van D. augenscheinlich, maar veeleer als samengesteld uit het bekend woord zienlijk en het versterkend lid oogen. Ouder, ja zelfs verouderd zijn de vormen oogzienlijk, oogschijnlijk, oogenschijnig, oog(en)zichtelijk en oogenzichtig (zie Kiliaan en Wdb. d. Ndl. Taal) die, als bijvoeglijk naamwoord of bijwoord, of als beide, nagenoeg hetzelfde beteekenen. In West-Vlaanderen zegt men zienling = duidelijk zichtbaar (Bloemlezing uit de werken van Stijn Streuvels, woordenlijst, 278 - Genoveva van Brabant, II, 134), bij der ooge en oog(e)ziens (Fr. à vue d’oeil). Oogenziens wordt gebruikt door C. Buysse in Tweemaandelijksch Tijdschrift, I, 38. Een gewestwoord met dezelfde beteekenis is parmentelijk en zijn vervormingen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ogenschijnlijk blijkbaar 1841-1845 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal