Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

official - (officieel afgevaardigde)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

official [officieel afgevaardigde] {1926-1950} < engels official < frans official [dienaar] < latijn officialis [met betrekking tot een dienst, (ver)plicht(ing), als zn. beambte, dienaar van een magistraat, bediende; in me. lat. o.a.: afgevaardigde van een vorst, hofdignitaris, gerechtsdienaar, gedelegeerd rechter, die de bisschop bij de geestelijke rechtspraak vertegenwoordigt], van officium (vgl. office).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

official (Engels official)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

official [ofisjul] iemand die officieel iets te maken heeft met de organisatie of leiding van een sportwedstrijd; bobo.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

official zn. Ontleend aan het Engels.
= (overheids)functionaris, hoogwaardigheidsbekleder.
[alg.] = muisarm, overbelastingskramp, herhalingsoverbelasting. Als je dag in dag uit lang achter een pc werkt, kun je een muisarm oplopen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

official officieel afgevaardigde 1909 [Aanv WNT] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

official, plural officials, de [ɔʹfɪʃəl/s] Koenen 1940; Koenen 1974 (in other sense); Van Dale 1976. “Op de Oostduitse stand op de Frankfurter Buchmesse zag ik een prachtuitgave, die ook veel Nederlanders zal interesseren. […] Op mijn vragen kreeg ik van de DDR-official drie kostbare inlichtingen. [...]” (1910101). Editorial comment: Koenen’s 1940 definition ‘officieel persoon’ is general enough to cover our example. The word is most frequently used in Dutch with reference to the world of sports. Van Dale 1976 acknowledges this by adding: ‘in ’t bijz. bij sportwedstrijden’. This is not fully correct, however, as the sports context is by no means limited to ‘wedstrijden’. Koenen 1974 defines the sporting use well, but has unfortunately deleted the general sense, which is required in our context. Loanword from English official n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal