Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oeverzwaluw - (vogelsoort)

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

OEVERZWALUWRiparia riparia
Duits Uferschwalbe
Engels Sand Martin
Frans Hirondelle de rivage
Fries Ierdswel
Betekenis wetenschappelijke naam oevervogel. De Oeverzwaluw nestelt aan het einde van een zelfgegraven gang, in de steile wanden van afgravingen, duinen, slootkanten e.d. De nabijheid van water is een belangrijke factor, want vooral daar gaat hij, meestal laagvliegend boven het wateroppervlak, op jacht naar insecten. Zijn aanwezigheid in de buurt van die, meest zandige, hellingen wordt tot uitdrukking gebracht in Zandzwaluw, Zaandgraevertie (Dr), Zaandswaalf (Gr), Zaandzwallve (Twe), Zaandswale (Twe), Sânswe(a)l (Fr), Sandswe(a)l (Ame) en Kantzwolm (Vla). In het Vlaamse Kotzwaluw is het element ‘kot’ een ander woord voor een gat of opening; in dit geval de opening van de nestgang. De naam Gongswel (Fr) = ‘gangzwaluw’ heeft vrijwel eenzelfde betekenis. Sommige volksnamen benadrukken vooral het broed- en leefgebied van de soort b.v. in de vroeger loodrecht afgeslagen duinen vlak aan zee: Strandzwaluw, Duinzwaluw, Klipswe(a)l (Fr), Bergzwaluw en Diekzwaluw (Tex). Elders in het land Tuinzwaluw (in tuinwallen), Schoorzwaluw en Schoorzwelf (Lb) (schoor = steile wand). In de tijd dat nog maar weinig over de vogeltrek bekend was, waren sommigen van mening dat oeverzwaluwen, evenals sommige reptielen, in de (modderige) grond langs beken en rivieren overwinterden. Uit die periode dateren, naast de algemene Friese benaming Aardzwaluw, Eerdzwelf (Lb), Eerdswaalf (Gr), Grondzwaluw, Grondswaalf (Gr), Grounswel (ZwF), Aardwater, Modderswe(a)l (Fr) en Modderswealtsje (SFr). De nabijheid van water is voor de Oeverzwaluw essentieel en wordt uitgedrukt in de namen Waterzwaluw en Wetterswel (Fr). In relatie tot de wat vale grijsbruine kleur van het verenkleed staan Feale Swe(a)l (Fr), Skiere Swe(a)l (Fr), Grijze Zwaluw en Schierzwaalver (Ach). De witte onderdelen, duidelijk contrasterend met de bruine borstband en andere donkere veren, komen aan de orde in Bontsje (Ter) en Nunneke (ONB). De laatste naam – ‘nonnetje’ – is er ook een voor de Huiszwaluw.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Oeverzwaluw Riparia riparia (Linnaeus: Hirundo) 1758. In steile oevers broedende Zwaluwsoort. De oevers moeten uit zodanig materiaal bestaan, dat de vogels er met hun pootjes nestgangen in graven kunnen. Over het algemeen is het type oever dat voor de Oeverzwaluw geschikt is, voor de (niet-verwante) Oeverloper ongeschikt, en andersom. D Uferschwalbe. Fries Ierdswel ↑. letterlijk ‘aardzwaluw’. Zie ook Modderswel, Schaarzwaluw, Schierzwaluw en Schoorzwaalf.
Lat Riparia <Lat ripa ‘oever’, oorspronkelijk ‘steil afgebrokkelde rand’ [Muller-Renkema].
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 (p.610) noemt als ‘officiële’ N naam voor de soort Strand-Zwaluw, welke naam hij niet nader verklaart. Wel noemt hij in zijn tekst, hieronder integraal weergegeven, tal van andere, deels toegelichte namen: “(4) Zwaluw die Aschgraauw is, met de Keel en den Buik wit. Van de Schryvers wordt deeze genoemd de Oever-Zwaluw, of Drepanis, wegens hare Zeissenswyze Staart. De Engelschen noemenze gemeenlyk Sand-Martin of Banck-Martin, om dat zy haare Nesten in de Zandbanken aan den Oever der Zee of in de Duinen maakt. Van de Sweeden wordt zy Strand-Swala, dat is Strand-Zwaluw geheten. De Duitschers geeven ’er ook den naam aan, van Ryn- en Wasser-Schwalbe: men zou ze Aard-Zwaluw noemen kunnen. Het is die, waar van de Heer COLLINSON meldt, dat op zyn verzoek dezelven ’s Winters in haare Holen gezogt, maar niet gevonden waren; ’t welk, ook in dien opzigte, de Stellingen van KLEIN, die haar een Winterverblyf in de Aarde toeschryft, omver stoot. En, inderdaad, het is de ongerymdheid zelve, dat de Water-Zwaluwen; want dus noemt men ook deeze, zig ’s Winters in de Aarde begraaven, en de Lugt-Zwaluwen in ’t Water kruipen zouden! De Strand- of Zand-Zwaluw, daar wy thans van spreeken, is kleiner zelfs dan de kleine of Boeren-Zwaluw [N.B.: bedoeld wordt de Huiszwaluw Delichon urbica!], hier voor beschreeven. De Pooten zyn van agteren, tot aan de Vingeren toe, met Wolligheid bezet.”
NV 1770 noemt de namen Oever-zwaluw en Aerd-zwaluw. B&O 1822: “De Aard- of Oeverzwaluw.”
Schlegel 1852 geeft “De oeverzwaluw”, maakt melding van een verdwenen kolonie “aan de oevers van het kanaal bij de tweede Katwijksche sluis” en “Broeit aan de hooge oevers der riviertjes in Noord-Brabant (VERSTER)”. Zie in dit verband (“hooge oevers”) ook onder Schoorzwaalf.
De Oeverzwaluw was al bij Turner 1544, Eber & Peucer 1552 en Gesner 1555 bekend [Suolahti 1909]. Jonston 1660, Tab.42: “Hyrundo Riparia Waßer Schwalb Spijr”.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal