Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ochtend - (vroege morgen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ochtend zn. ‘vroege morgen’
Mnl. gif ire nuhte ‘geef (het) haar 's ochtends’ [1250; VMNW], hie come wercdaghe nuchtens in die borgh ‘hij moet op werkdagen 's ochtends in de burcht komen’ [1277; VMNW], een ochtent male of een avont male ‘een ochtendmaal of een avondmaal’ [1399; MNW-P], des ochtens voir die cloc ‘'s ochtends, voor de klok slaat’ [1350-97; MNW ochten], van den uchtent totten avont ‘van de ochtend tot de avond’ [1458; MNW-P].
De verwachte vorm op grond van de verwante woorden in de andere Germaanse talen is mnl. *uchte of *ochte, met verkorting van Proto-Germaans ū voor cluster cht, en de verandering van u > o in dialecten waar die nog niet had plaatsgevonden. Hieruit ontstonden enkele nevenvormen: de n- in nuhte, nuchtens is ontstaan door verkeerde woordscheiding van combinaties met lidwoord of voorzetsel *een uchten of *an uchten, of onder invloed van → nuchter, oorspr. ‘(in de vroege morgen) nog niets gegeten of gedronken hebbend’. De -n- achter de woordstam ontstond uit de verbogen naamvallen. Ten slotte werd een -d toegevoegd onder invloed van → avond. Deze -d was in het Middelnederlands zeldzaam, is nog niet aanwezig in de Vroegnieuwnederlandse woordenboeken (bijv. bij Kiliaan) en werd pas in de 17e eeuw algemeen.
Os. ūhta ‘morgenstond’ (mnd. uchte ‘schemering; morgenstond’); ohd. ūhta (mhd. ūhte ); oe. ūht(a); on. ótta (nzw. otta); got. ūhtwo; alle ‘(vroege) ochtend’ < pgm. *ūhtōa < *unh(w)tōa-.
Uit pie. *nkw-t- (IEW 762) ‘nacht, periode voor het ontbijt’. Hierbij hoort, met o-trap i.p.v. nultrap, het zn.nacht < pie. *nokw-t-.
Wegens de wortelverwantschap en de betekenissen in de verschillende talen is aannemelijk dat ochtend oudtijds die delen van de nacht heeft betekend die aansluiten op de dag. In een aantal Duitse dialecten komen verwanten van ochtend voor die zowel de ochtend- als de avondschemering aanduiden (of dat tot in de 20e eeuw deden). Deze algemenere betekenis van ‘schemering’ wordt als zeer archaïsch beschouwd (Markey 1987). De betekenis van ochtend verschilt in de Germaanse talen in de regel weinig van die van het woord → morgen 1. De betekenisnuance in het Gotisch is dat ūhtwo de vroege morgen aanduidt en in het huidige Nederlands is dat niet anders. Op grond van de historische dialectgeografie neemt men aan dat het woord ‘morgen’, dat wordt beschouwd als de jongere aanduiding, het woord ochtend allengs heeft verdrongen. De gebieden waarin ochtend oorspronkelijk is, of dat nog niet zo lang geleden was, zijn dan restgebieden. In het Nederlandse taalgebied zijn dat Holland, Vlaanderen en Zeeland, daarbuiten landstreken in het westen van Duitsland van Oost-Friesland tot Baden-Württemberg, verder Schotland (Lollands), Scandinavië en IJsland.
Lit.: T.L. Markey (1987), ‘Morning, Evening and the Twilight Between’, in: S.N. Skomal e.a. (red.), Proto-Indo-European: The Archaeology of a linguistic Problem. Studies in Honor of Marija Gimbutas, Washingon D.C., 299-321

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ochtend* [(vroege) morgen] {ochten, uchten 1351-1400, naast nuchten(s) 1277, uchtent 1642, vgl. ochtentstont 1361-1362} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels ūhta, oudnoors ōtta, gotisch ūhtwo; de d is naar analogie van avond toegevoegd. De n is in de verbogen vorm van lidw. of bn. ontstaan, vgl. oudsaksisch an uhtan ['s ochtends], ablautend naast nacht; buiten het germ. grieks aktis [zonnestraal], oudindisch aktu- [laatste deel van de nacht, schemering voor de dageraad].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ochtend

Wij schrijven ochtend, maar wij zeggend ochend. Die vorm is de oudste en eigenlijk de juiste. Het Gotisch heeft uhtwo, het Westgermaans ochte, het Middelnederlands behalve ochten ook ocht. Net zoals naast het woord naakt de vorm nakend ontstond, werd naast ocht de vorm ochend gebruikt. Maar ook ochten bleef bestaan en uit de kruising van beide gelijkbetekenende woorden ontstond ochtend. Vroeger meende men dat ochtend het tegenwoordig deelwoord was van een – niet bestaand – werkwoord ochten dat: vermeerderen zou hebben betekend. Dit verzinsel versterkte de mening dat de t in het woord thuishoort. De vorm nochtend die naast ochtend voorkwam, maakt verwantschap met nacht waarschijnlijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ochtend znw. m. naast uchtend, sedert de 17de eeuw met d analogisch naar avond uit mnl. ochten, uchten m., dat onder invloed van nochten, nuchten (uit ən ochten, vgl. os. an ūhton, ohd. in uohtūn, oe. on ūhtan ‘s-ochtends’) ontstaan is uit een ouder *ochte, *uchte, vgl. os. ūhta, ohd. ūhta, v., oe. ūhta m., on. ōtta, got. ūhtwo v. ‘vroege morgen, morgenschemering’. — gr. aktī́s ‘straal’, oi. akta- ‘nacht’, aktu- m ‘donkerheid; licht; straal’, lit. ankstùs ‘vroeg’, opr. angsteina ‘vroeg’ (IEW 763). — Zie ook: nacht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ochtend (uchtend) znw., sedert de 17. eeuw. Met jongere d, naar analogie van avond, uit mnl. ochten, uchten m., vooral naar de evenredigheid: ’s avons : avond = ’s ochtens: x gevormd. Mnl. ochten, uchten is voor *ochte, *uchte in de plaats gekomen onder invloed van *’nochten, *’nuchten = ohd. (Notker) in uohtûn of os. an ûhton, ags. on ûhtan “’s ochtends”. Onder invloed van denzelfden vorm kwam een mnl. nominatief nochten, nuchten m. “ochtend” op, waarbij weer een adverbiale gen. nuchtens, (t)snuchtens gevormd is. Ohd. uohtûn enz. is de dat. van ohd. ûhta (Notker uohta), os. ûhta v., ags. ûhta m. (of ûhte o.?), on. ôtta, got. ûhtwo v. “vroege morgen, morgenschemering”. Hierbij got. ûhteigs “tijd hebbend voor”, ûhteigo bijw. “te rechter tijd”. Met ûχt- uit uŋχt- en verwant met gr. aktīs “straal”, lit. ankstì “vroeg”, oi. aktú- “schemering, donkerte, nacht, licht, straal”. Oorspr. bet. “schemering, schemerglans”. Ablautend met nacht: basis enoqt-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ochtend. “Ags. ûhta m. (of ûhte o.?)” lees: “ags. ûht(a) m. (ûhte v.?)”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ochtend, nuchtend m., Kil. nuchten, Mnl. nuchten-s, uchten, Os. ûhta + Ohd. uohta (Mhd. uohte), Ags. úhte, On. ótta, Go. ûhtwo: Ug. *ûht- uit *uŋht-, Idg. * ŋkt-, ablaut van nacht + Skr. aktuṣ = morgen, Gr. aktís = straal, Lit. anksti = vroeg. De vorm uchten is datief van uchte; de prothet. n van nuchten is te wijten aan ’t voorz. en (z. daarenboven) of aan ’t lidw. den of aan de gestereotypeerde uitdr. morgen uchtend; de paragog. d van nuchtend is analogie van avond.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

nochtink, nuchtink zn. m.: ochtend. Door metanalyse uit den ochtink/uchtink. Wvl. nuchtend. Zie ochtink.

ochtink, uchtend, uchtink zn. m.: ochtend, morgen. Mnl. ochten, uchten ‘ochtend’, 1458 snavonts ende snuchtens, Oudenaarde (Hoebeke 1968), Vnnl. nuchte, nuchten, nuchtens (Kiliaan). Got. ûhtwo, Os., Oe., Ohd. ûhta, verwant met Gr. aktis ‘straal’, Oind. aktú ‘schemering, nacht’. Het woord vertoont ablaut met nacht. De eind-d is paragogisch naar analogie van avond.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

nuchtend (G), nuchtink (G, H, ZO), ochtink (A, ZV), uchtend (G), uchtink (ZV), zn. m.: ochtend, morgen. Mnl. ochten, uchten 'ochtend', 1458 snavonts ende snuchtens, Oudenaarde (Hoebeke 1968), Vnnl. nuchte, nuchten, nuchtens (Kiliaan). Got. ûhtwo, Os., Oe., Ohd. ûhta, verwant met Gr. aktis 'straal', Oind. aktú 'schemering, nacht'. Het woord vertoont ablaut met nacht. De eind-d is paragogisch naar analogie van avond. De anlaut-n door metanalyse, b.v. < den uchtend.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oggend s.nw.
Tydperk vanaf dagbreek tot net voor die middag.
Uit Ndl. ochtend (1642). Ndl. ochtend uit Mnl. ochten met 'n toegevoegde -d na analogie van avond 'aand'. Die vorm ochtend is die skryftaalvorm, terwyl die t nie eintlik in die spreektaal voorkom nie.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

nuchten(d), zn. m.: ochtend, morgen. Mnl. ochten, uchten ‘ochtend’. Got. ûhtwo, Os., Oe., Ohd. ûhta, verwant met Gr. aktis ‘straal’, Oind. aktú ‘schemering, nacht’. Het woord vertoont trouwens ablaut met nacht. De eind-d is paragogisch naar analogie van avond. De anlaut-n door metanalyse, b.v. < den uchtend, 1393 snuchtens tilike, Kortrijk (OWW).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

oggend: môre; Ndl. ochtend/uchtend m. parag. -d na anal. v. avond, v. aand (Mnl. ochten/uchten, i. sprt. ochend/ochte), hou verb. m. Gr. aktis, “sonstraal”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ochtend, Uchtend. De uitspraak van ’t volk, nl. ochend geeft den oudsten vorm aan; deze ontstond uit Os. uhta, ons uchte, ochte, ucht, waarvan men uchtend maakte evenals nakend voor naakt. De Idg. wt. is uh, dezelfde als ’t Skr. usc = branden, lichten, van uscas = morgenlicht. Vgl. ’t Lat. uro (oorspr. uso) en aurora = morgenstond; vgl. aurum = goud (zie Goud).
Het woord bet. dus eig.: het licht worden, het aanbreken van den dag; later: de eerste morgenuren.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ochtend* (vroege) morgen 1351-1400 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

nek-(t-), nok-t-s ‘Nacht’, Stämme nokt- f. (ursprüngl. neutr.??), nokti-, noktu- f., nokt(e)r n., über Ablautformen s. unten

Ai. nák (*nákt) Nom. ‘Nacht’ (nag jihītē), naktā f. Du., naktam Adv. erstarrter Akk. ‘nachts’, Instr. Pl. naktábhiḥ ds. (Nachahmung von áhabhiḥ), Akk. Pl. náktīḥ ‘Nächte’;
gr. νύξ, νῡκτός f. ‘Nacht’, im Kompositum νυκτι-, νυκτο-, νύκτωρ Adv. ‘nachts’ (*Akk. gebildet wie ὕδωρ), νυκτερός, νυκτερινός ‘nächtlich’ (: lat. nocturnus); unklar sind νύχα· νύκτωρ Hes., hom. εἰνάνυχες ‘neun Nächte hindurch’, ἔννυχος ‘nächtlich’, παννύχιος ‘die ganze Nacht dauernd’, αὐτονυχί ‘in derselben Nacht’;
alb. natë ‘Nacht’;
lat. nox, noctis ‘Nacht’ (Gen. Pl. noctium i-St., aber deutlich kons. St. im Adv. nox ‘nachts’ aus Gen. *nokt-es, -os); nocturnus ‘nächtlich’ (: νυκτερινός, νύκτωρ); vom Stamme *noktu-: lat. noctū ‘bei Nacht’, noctua ‘Nachteule’;
air. i-nnocht ‘hac nocte’, mcymr. peu-noeth ‘jede Nacht’, trannoeth ‘am folgenden Tage’, acymr. henoid, cymr. he-no ‘hac nocte’, corn. haneth, mbret. henoz ds.; cymr. corn. nos, bret. noz ‘Nacht’, wohl aus *nokt-s u- cymr. neithiwyr, neithwyr (enthält hwyr ‘Abend’) ‘last night’, corn. nehues mbret. neyzor, nbr. neizeur ds.;
got. nahts (Dat. Pl. nahtam nach dagam), aisl. nōtt, nātt, ahd. as. naht, ags. neaht, niht ‘Nacht’ (kons. St.), ags. nihterne ‘nächtlich’;
lit. naktìs (kons. Gen. Pl. naktū), lett. nakts, apr. naktin (Akk. Sg.) ‘Nacht’, nak(t)v-ýnė ‘Nachtherberge’, nak(t)vóti ‘übernachten’, nãkvinas ‘zur Nacht herbergend’, abg. noštь ‘Nacht’, russ. netopýŕ ‘Nachtschmetterling, Fledermaus’;
hitt. neku- ‘dämmern’; Gen. ne-ku-uz (nekuz) ‘Nacht’; toch. A n[a]ktim ‘nächtlich’, В nekciye ‘abends’;
schwundstufig: ai. aktā́ ‘Nacht’ (vielleicht n-Stamm), aktú- m. ‘Dunkel, Nacht, Licht, Strahl’ (eigentlich ‘Dämmerung’), vgl. in letzterer Bed. got. ūhtwō (: lat. noctū usw.), aisl. ōtta, ahd. ūhta (uohta), mhd. ūhte (uohte), as. ūtha f., ags. ūth(a) m. ‘frühe Morgenzeit’, got. ūhteigs ‘zeitig’;
eine andere Ablautstufe *onkt- scheint lit. ankstì ‘frühe’, ìš añksto ‘von früh an’, ankstùs Adj. ‘früh’, apr. angstainai, angsteina Adv. ‘frühmorgens’.

WP. II 337 ff., WH. II 181 ff., Trautmann 9, 193, Specht Idg. Dekl. 11.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal