Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

object - (voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

object zn. ‘voorwerp’
Vnnl. object ‘voorwerp’ in obiect inder begeerten ‘voorwerp van begeerte’ [ca. 1500; MNHWS], ‘tegenwerping’ [1573; Thes.], ‘voorwerp van de schouwende ziel’ [1577; WNT Aanv.], ‘zaak, aangelegenheid, kwestie’ [1596; WNT Aanv.], ‘elk stoffelijk ding dat zich aan de zintuigen, m.n. aan de ogen, voordoet; met de zintuigen waarneembare zaak; voorwerp’ [1624; WNT Aanv.], ‘wat door de ervaring gegeven is; wat onafhankelijk van het menselijk verstand bestaat’ (tegenover subject) [1875; WNT Aanv.], ‘zinsdeel’ [1846; WNT Aanv.].
In de meeste betekenissen ontleend aan Oudfrans object (modern Frans objet) ‘al het waarneembare voor de zintuigen, in het bijzonder voor de ogen’ [1370-72; TLF], ‘alles wat zich aan het verstand presenteert; stof tot nadenken’ [1370-72; TLF], ‘wie of wat de oorzaak is van of de aanleiding tot een gevoel’ [1556; TLF], ‘zelfstandigheid, stof, onderwerp (bijv. van een studie)’ [1669; TLF]. Het Franse woord gaat terug op middeleeuws Latijn objectum ‘wat op zichzelf bestaat, onafhankelijk van het denkend subject’, oorspr. ‘wat ergens vóór geplaatst is’, het zelfstandig gebruikte onzijdige verl.deelw. van klassiek Latijn obicere ‘voor gooien, voor plaatsen; tegenover stellen’, gevormd uit ob ‘naartoe, tegenover’, verwant met Grieks epí ‘op, bij’ in → epidemie, en iacere ‘werpen’, zie → jet.
Aanvankelijk was object een filosofisch begrip van de scholastici dat door Franse filosofen uit het middeleeuws Latijn overgenomen is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

object [voorwerp] {ca. 1500} < oudfrans object < middeleeuws latijn obiectum, o. enk. als zn. van obiectum, verl. deelw. van obicere [vóórwerpen, voorleggen], dus lett.: wat (als probleem) is voorgelegd (vgl. obex); vgl. voor de betekenis probleem.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

objek s.nw.
Voorwerp.
Uit Eng. object (1398) of Ndl. object (ongeveer 1500).
D. Objekt (14de eeu), Fr. objet.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Object (Lat. objéctum = het in den weg geworpene, het voorliggende, voorwerp; als subst. gebruikt neutr. v. objéctus = part. perf. v. obícere = voorwerpen, voorhouden). Voorwerp.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

object ‘voorwerp, ding; lijdend voorwerp’ -> Indonesisch obyék ‘voorwerp, ding; lijdend voorwerp; doel, bedoeling; bron van extra inkomen uit eigen baan, neveninkomsten (vaak illegaal)’; Jakartaans-Maleis obyèk ‘voorwerp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

object voorwerp 1500 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal