Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nut - (voordeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nut zn. ‘voordeel’
Vnnl. nut ‘voordeel’ in daer doch gheen nutt noch ghemack, ... van komende is ‘waar toch geen voordeel of vrede uit voortkomt’ [1557; iWNT], ten dienste, nut en lust van alle Nederlanders [1639; iWNT]; nnl. van geen nut [1724; iWNT], hij zag er geen nut in [1889; iWNT].
Zelfstandig gebruik van het bn. mnl. nutte ‘nuttig, geschikt’ zoals in want or dat rasten nutte were ‘want een rustpauze zou nuttig voor haar zijn’ [1220-40; VMNW].
Mnd. nut(te); ohd. nuz (mhd. nuz). Bij het bn. mnl. nutte horen: os. nutti; ohd. nuzzi (nhd. nütze, waarbij de afleiding Nutzen ‘nut’); ofri. nette (maar nfri. nut is ontleend aan het nnl.); oe. nytt; alle ‘nuttig, zinvol’; on. -nytr in samenstellingen als málnytr ‘melkgevend’; got. unnuts ‘nutteloos’; < pgm. *nuti-, nutja-.
Pgm. *nut- is de nultrap van de wortel *neut- ‘gebruiken’ zoals in → genieten en met andere ablaut in → genoot. Mogelijk verwante woorden alleen in het Baltisch: Litouws naudà ‘gebruik’, Lets naûda ‘geld’, < pie. *noud- (IEW 768). Er zijn geen sterke aanwijzingen voor ontlening aan een Noordwest-Europese substraattaal (Boutkan/Siebinga 275-276).
In het Middelnederlands bestond al vroeg een mannelijk of vrouwelijk woord nut ‘opbrengst van het land’ [1331; MNW], overdrachtelijk ook ‘voordeel’ in des hi ... ne ghene nut daer of en neme ‘omdat hij daar geen voordeel van heeft’ [begin 15e eeuw; MNW]. Gezien het woordgeslacht is dit een ander woord dan nnl. (het) nut.
nuttig bn. ‘zinvol’. Vnnl. nuttich ‘id.’ [1576; iWNT wederspreker]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig van het bn. nutte ‘id.’. Eerder geattesteerd zijn wel al het zn. nuttigheid ‘nut’ (mnl. nuttecheyt [eind 14e eeuw; MNW]) en het bn. onnuttig (vnnl. quaden ende onnuttigen regimente [1532; iWNT tuischerei]). Andere afleidingen die in het Middelnederlands ontstonden ter vermijding van de homonymie van het bn. nut(te) en het zn. nut waren nutbaer, nutbaerlijc en nuttelijc, en de zn. nutscap en nuttelijcheit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nut* [voordeel] {1505} kan identiek zijn met middelnederlands not, nut [opbrengst van het land] {1328} vgl. genot; daar dit woord zelden en op beperkt gebied voorkwam is eerder aan te nemen dat ons nut het zelfstandig gebruikt bn. nut [nuttig] {1285} is, evenals nutten, nuttigen ablautend naast genieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nut 1 znw. o. is een substantivering van het bnw. nut 2. Daarnaast stond mnl. nut v.m. (zelden, dial. nog noord- en oostnl.) ‘nut, opbrengst van het land’, not m.o. ‘nut, opbrengst van het land; wat voor landbouw en veeteelt nodig is; vruchtgebruik’, ofri. note ‘opbrengst van landbouw en veeteelt’, oe. notu v. ‘voordeel, ambt’. Verder nog mnd. nutte v., oe. nytt v. ‘nut’, on. nyt v. ‘nut, voordeel; melk’ en ohd. nuz m. ‘nut, gebruik, opbrengst’ (nhd. nutzen). — Zie verder: genot.

nut 2 bnw., mnl. nutte, os. nutti, ohd. nuzzi (nhd. nütze), ofri. nette, oe. nytt, got. nuts. — Zie: genieten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nut I znw. o. Veeleer een — reeds oudnnl. — substantiveering van het bnw. nut II dan ontstaan uit mnl. nut v. m. (zeldzaam, dial. noord- en oostndl.) “nut, opbrengst van het land”, waarnaast not m. o. (vooral noord- en oostndl.) “id., wat men voor landbouw en veeteelt noodig heeft, vruchtgebruik”. Met den tweeden vorm vgl. genot en ofri. note v. “opbrengst van landbouw en veeteelt”, ags. notu v. “voordeel, ambt”, de eerste vorm = mnd. nutte v., ags. nytt v. “nut”, on. nyt v. “id., melk” resp. ohd. nuz m. “nut, gebruik, opbrengst” (nhd. nutzen).

nut II bnw., mnl. nutte. = got. nuts (in unnuts “nutteloos”), ohd. nuzzi (nhd. nütze), os. nutti, ofri. nette, ags. nytt “nuttig, geschikt”. Al deze woorden — benevens het ww. mnl. nutten “gebruiken, nuttigen” (nnl. bijna alleen nog de samenst. benutten en de afl. nuttigen, welke vorm ook al later-mnl. en mnd. is, evenzoo ofri. nettigia “gebruiken”), ohd. nuzzen, nuzzôn (nhd. nützen, nutzen), mnd. nutten, ags. nyttian “id.”, ofri. bi-netta “gebruiken”, on. nytja “melken” — staan in ablaut tot genieten en on. nŷtr “nuttig”, nŷta “gebruiken, nuttigen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nut I znw. Het geslacht van ofri. note (not?) blijkt niet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nut o., Mnl. nut + Ohd. nuz (Mhd. id., Nhd. nutz) = voordeel, opbrengst: van denz. stam als ʼt meerv. imp. van ge-nieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nöt (zn.) nut, voordeel; Nuinederlands nut <1557>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

nut, bn.: lelijk, slecht, boos; vies (ook moreel). Door aferesis uit onnut ‘niet dienstig, ondeugdelijk’, waarin het ontkennende on- als versterkend geïnterpreteerd werd; vgl. guur < onguur. Afl. nutterd ‘deugniet, lelijkerd’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nut s.nw.
Bruikbaarheid of voordeel wat iets vir 'n mens inhou.
Uit Ndl. nut (1505), die substantivering van die Mnl. b.nw. nut 'nuttig', 'n ablautvorm naas geniet.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

nut I lelijk, slecht, boos (Noord-Limburg). = nl. nut ‘nuttig’ (= hgd. nütze bn ‘nuttig’ = got. (un)nuts ‘onnut’). Afl. bij genieten. De negatieve betekenis is eerst eigen geweest aan het ontkennende onnut. Toen is on als versterkend on geïnterpreteerd zoals ook bij guur geschied is; vgl. de betekenis van guur met die van mnl. ghehuer ‘lief’ en vergelijk onguur en hgd. ungeheuer ‘monster’.
Schols/Linssen 316, De Bont 1959, 442, Alsters e.a. 200.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nut ‘voordeel’ -> Fries nut ‘voordeel’;? Deens nytte ‘voordeel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors nytte ‘voordeel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds nytta ‘voordeel, zin’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nut* voordeel 1505 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

neu-d- ‘Erstrebtes ergreifen, in Nutzung nehmen’, noudo-, noudā ‘Nutzen’

Got. niutan ‘τυχεῖν, erreichen’, ga-niutan ‘ergreifen, erwischen’, nuta ‘Fänger, Fischer’, aisl. njōta ‘benutzen, genießen’, ahd. niozan ‘etwas an sich nehmen, benutzen, genießen’, as. niotan, ags. nēotan ds.; got. un-nuts ‘unnütz’, ahd. nuzzi, as. nutti, ags. nytt ‘wozu nütze’ (hochstufig aisl. nȳtr); ags. nyttian ‘brauchen, genießen’, ahd. nuzzen, nuzzōn, nhd. nützen, nutzen; aisl. nyt f. ‘Nutzen, Milch’ (nytja ‘melken’), ags. nytt f., mnd. nutte, nut ‘Nutzen’, ahd. nuz, -zzes m. ‘Nutz’, ags. notu f. ‘Ertrag’; aisl. naut n. ‘Stück Vieh’, nautr m. ‘wertvoller Besitz’, ags. nēat n. ‘Stück Rindvieh, Tier’, ahd. nōz m. ‘(Nutz)vieh’, as. notil n. ‘Kleinvieh’ (ksl. nuta ‘Vieh’ aus dem Germ.); ahd. ganōz, -o ‘Genosse’, as. genōt, ags. genēat, aisl. nautr ds.;
lit. naudà ‘Nutzen, Gewinn, Habe’, naũdyti ‘begehren’, lett. nàûda ‘Geld’;
vielleicht air. Nuado, Gen. Nuadat GN, cymr. Nudd GN, abrit.-lat. Dat. Nōdonti, Nōdenti GN (Partiz. *neudont-s, -os), eigentlich ‘Angler, Fischer’ nach Vendryes RC. 39, 384.

WP. II 325 f., Trautmann 194, Feist 3379; zum Folgenden (neu-dh-)

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal