Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nozem - (probleemjongere, opstandige jongere)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nozem zn. ‘probleemjongere, opstandige jongere’
Nnl. nozem(pje) ‘onnozele hals, domoor’ (in de Rotterdamse onderwereld) [voor 1914; pers.waarn. in Tempelaars 1998], 'k ... dee net, of 'k d'r alles van snapte, omda'k niet voor een nootsum wil door gaan [1935; WNT], nootsum ‘onwetende, snotneus, groentje’ [1937; Gabbertaal], nosempie ‘id.’ [1938; WNT], nozem ‘probleemjongere, opstandige jongere’ [1955; Vrijman].
Wrsch. een woord uit het Bargoens. Aangezien -s- (waaruit -z-) wel uit -ts- te verklaren is, maar niet omgekeerd, moet de oorspr. vorm nootsem/nootsum zijn. Mogelijk gaat het woord via het Jiddisch *nootsem terug op Hebreeuws ʿāṣūm ‘sterk, machtig’. De Nederlands-Bargoense betekenis ‘onnozel(e)’ moet dan verklaard worden vanuit de associatie ‘veel spieren, weinig hersenen’, en ook de betekenis ‘opstandige jongere’ zou uit ‘sterk(e)’ kunnen volgen. Een hiermee corresponderend Jiddisch woord is niet geattesteerd, maar de klankontwikkeling van de Hebreeuwse ajin (in transcriptie ʿ ) naar Jiddisch n- komt inderdaad sporadisch voor en de ontwikkeling van Hebreeuws naar Jiddisch ts is volstrekt regelmatig.
Afleiding uit penoze-jongens, bij → penoze ‘onderwereld’ (EDale), met toegevoegde -m zoals in wel meer Bargoens/Jiddische woorden, kan de -ts- niet verklaren en is daarom onwaarschijnlijk. Hetzelfde geldt voor afleiding van Engels nothing ‘niets’ (WNT, EDale), dat overigens behalve de n- geen enkele klank met nootsum gemeen heeft. De in niet-taalkundige bronnen soms genoemde opvatting dat nozem een letterwoord is voor Nederlands Onderdaan Zonder Enig Moraal refereert alleen aan de naoorlogse betekenis (zie onder) en moet dus als verklaring achteraf worden opgevat.
Voor 1940 is van dit woord alleen de betekenis ‘onnozele, onwetende, snotneus’ geattesteerd, met name in Rotterdam. Algemeen bekend werd het woord pas in 1955, na de verschijning van een serie reportages in het weekblad Vrij Nederland over de Nozems van de Nieuwendijk van de Amsterdamse journalist Jan Vrijman. De onschuldige vooroorlogse betekenis is dan volledig verdwenen: nozems zijn bepaalde groepen probleemjongeren, met name in Amsterdam. Door wie en waarom deze nozems aan hun benaming zijn gekomen is onzeker; volgens De Tollenaere (1960) waren reeds voor de Tweede Wereldoorlog de termen swingnozem en jazznozem in gebruik om daarmee “jongelui te karakteriseren die bezeten waren van de toenmaals moderne muziek en dans”. Het naoorlogse nozem zou hier dan een verkorting van zijn.
Lit.: J. Vrijman (1955), ‘De nozems van de Nieuwendijk’, in: Vrij Nederland, 20 augustus 1955; F. de Tollenaere (1960), ‘Van nootsums, nozempies, nozems1 en nozems2’, in: NTg 53, 56-57; R. Tempelaars (1998) ‘De correspondentie over woorden tussen de redacteuren, de medewerkers en de gebruikers van het WNT’, in: F. Heyvaert e.a. (red.), Het grootste woordenboek ter wereld, Den Haag/Antwerpen 114, 119

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nozem [branieschopper] {na 1950, vgl. bargoens nootsum [onwetende snotneus, groentje] 1926-1950} etymologie onzeker, misschien < penose of < engels nothing [niets].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nozem znw. m. ‘jonge branieschopper’, ouder nosum, eerst in de 20ste eeuw < bargoens nootsum ‘onwetende snotneus, groentje’.

nozem [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 239-240 [1969].

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nozem: (in de jaren vijftig) jonge herrieschopper die door zijn kleding (half in leer gestoken) en haardracht zijn onwil demonstreerde om zich aan te passen aan de maatschappij. De nozem vond de samenleving waardeloos. Hij was de voorloper van de hangjongere. Hij verzette zich tegen de gevestigde oude macht. Het enige wat hem interesseerde waren meisjes, sommige films en opzwepende muziek. Het ging om een internationaal verschijnsel sedert ca. 1950. In Duitsland sprak men over Halbstarken. Engeland kende de teddyboys; Italië de ortilloni of vitellone; Spanje de gamberros, Frankrijk de blouson noirs, de loulous, loubards en zazous en Rusland de stiljagi. Vrij Nederland-journalist Jan Vrijman (1925-1997) was de eerste die in Nederland rond 1955 de term in de moderne betekenis van ‘vetgekuifde liefhebber van rock ’n’ roll’ gebruikte. Het Winkler Prins-jaarboek van 1958 vermeldt nozem als nieuw woord. Onze Taal (1961) stelt dat het woord op dat moment boven de status van scheldwoord is uitgekomen, hetgeen te danken zou zijn aan de pers. Volgens hetzelfde jaarboek zou nozem uit de Joodse taal komen. Nozerim betekent ‘anders’. Anderen menen evenwel dat nozem een samentrekking is van de Bargoense woorden penose (het misdadigersberoep) en nootsum (onwetende sukkel, groentje; sedert midden jaren dertig). Nootsum zou dan weer ontleend zijn aan het Engelse nothing. Daarmee zouden nozems een soort nihilisten geweest zijn. De Rotterdamse volksschrijver Willem van Iependaal (1893-1970) gebruikte het woord al in 1935. In Rotterdam en omstreken werd het eerder kleinerend gebruikt: ‘zo’n nozem gaat me toch niet vertellen dat…’

In 1958 had Wim Kan een liedje met als titel: ‘Jazz bij de nozempjes’. En in 1965 promoveerde hoogleraar criminologie en penologie Wouter Buikhuisen (1933) op ‘Achtergronden van nozemgedrag’. Buikhuisen was tevens de bedenker van het begrip provo (provocerende jongere in de jaren zestig). Echt populair werd nozem in 1966 door het liedje ‘De nozem en de non’ van Cornelis Vreeswijk. Een would-be ‘moderne’ dichter noemde men in de jaren zestig smalend een letternozem (zie Onze Taal, september 1959) terwijl een nozem die zich verplaatste op een knetterende bromfiets een brozem werd genoemd.

Wist ik veel van de mallejan daar ha’k in me leve nog nooit van gehoord, maar ’k hield et sjaakies voor Roebel en dee net, of ’k d’r alles van snapte, omda’k niet voor een nootsum wil door gaan. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)
Driekwart van de fatsoenlijke Mexicanen ziet er in onze ogen uit als eerste klas bandietennozems. (Willy van der Heide, Lotgevallen rond een locomotief, 1956)
En het is ‘mijn’ begrafenis. Smakeloos. Dat komt allemaal door de nozems. (Simon Carmiggelt, Duiven melken, 1960)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nozem (van Engels nothing?)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nozem branieschopper 1955 [Endt]

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

Nozem (1958) term voor een opgeschoten jongen die door lusteloos optreden en verwekelijkt uiterlijk (kleding, haardracht) zijn onwil om zich aan te passen demonstreert. Dit type is een internationaal verschijnsel sedert ca. 1950 (Du.: Halbstarke; Eng.: teddyboy; It.: vitellone, d.i. groot kalf; Russ.: stiljagi).
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal