Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

november - (elfde maand van het jaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

november zn. ‘elfde maand van het jaar’
Mnl. november ‘de elfde maand’ in de manet nouember [1253; VMNW], te elken ersten daghe van Nouember ‘steeds op de eerste dag van november’ [1299; VMNW].
Ontleend aan de Latijnse maandnaam november (genitief novembris), verkorting van mēnsis novembris ‘novembermaand’, waarin het tweede woord is afgeleid van novem ‘negen’, verwant met → negen. Het kalenderjaar van de Romeinen begon met de maand maart, zie ook → januari. Zie ook → september, → oktober en → december, resp. ‘zevende’, ‘achtste’ en ‘tiende maand’.
Oude Nederlandse benamingen voor november waren onder meer slachtmaand en wintermaand, bijv. slachtmaent, wintermaent, November [1477; Teuth.]; beide werden overigens ook wel gebruikt voor december.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

november [elfde maand] {Nouembrem 1050, nouembre 1266} < latijn (mensis) November [november], mensis [maand], November, van novem [negen]. Het Romeinse jaar begon aanvankelijk met maart, dus november was de negende maand → januari.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

november znw., niet bij Kil., wel mnl. (Mnl. Wdb., zonder plaatsen). Mnl. de ndl. namen slach(t)maent, smeermaent, wintermaent, wind(el)maent.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

November m., uit Lat. id.: z. negen en december.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

November s.nw.
Elfde maand van die jaar.
Uit Ndl. November (al Mnl.).
Ndl. November uit Latyn (mensis) November 'negende (maand)', met lg. van novem 'nege'. Oorspr. was November die negende maand, maar nadat Julius Caesar en Augustus Caesar twee maande na hulself vernoem het (onderskeidelik Julie en Augustus) en dié na Junie ingeskuif het, het November die elfde maand geword.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

november (Latijn (mensis) November)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

november ‘elfde maand’ -> Indonesisch Nopémber, Novémber ‘elfde maand’; Boeginees nopêmberé ‘elfde maand’; Madoerees nopembēr, nofembēr ‘elfde maand’; Makassaars nopêmberé ‘elfde maand’; Minangkabaus nopember ‘elfde maand’; Nias nofitemba ‘elfde maand’; Soendanees Nopembĕr ‘elfde maand’; Singalees novämbara ‘elfde maand’; Negerhollands november ‘elfde maand’; Papiaments novèmber (ouder: november) ‘elfde maand’; Sranantongo november ‘elfde maand’; Sarnami nowambar ‘elfde maand’; Surinaams-Javaans Nopèmber ‘elfde maand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

november elfde maand 1266 [Toll.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal