Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nol - (zandheuvel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nol* [zandheuvel] {nol(le) [kruin, achterhoofd, zandheuvel] 1351} engels noll [hoofd], variant van knol, middelnederlands cnol [heuveltje], engels knoll [idem] (oudengels cnoll), oudnoors knollr [heuveltop] (vgl. knol).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nol znw. v. ‘hoogte, zandheuvel; strandhoofd; overgebleven stomp van gerooide boom’, mnl. nolle, nol m.v. ‘achterhoofd, duin, uiteinde van een dijk’, ohd. nollo m. ‘heuvel’ (nhd. plaatsnaam Nollen) en hnol, nol m. ‘top, burcht, kruin’, oe. hnoll m. ‘kruin van het hoofd’ (ne. noll). Daarnaast abl. ohd. nella v. ‘top’, hnel ‘kruin’. — Indien wij mogen vergelijken lett. knese ‘knuppel’, dan mogen wij een grondvorm *hnezla-, *hnuzla- aannemen (IEW 558), die dus behoort tot de idg. wt. *ken ‘samen-drukken’, waarvoor zie: nek.

Ook hier vinden wij de wisseling van de anlaut hn- en kn- (zie daarvoor: knol) en vgl. J. de Vries IF 62, 1956, 136-150.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nol (pier in zee enz.), mnl. nol(le) m. v. “achterhoofd, duin, uitpunt van een dijk”. = ohd. nollo m. “heuvel” (nhd. Nollen als eigennaam) resp. (h)nol (ll) m. “top, burcht, (kruin van het) hoofd”, ags. hnoll m. “kruin van het hoofd” (eng. noll). Met ablaut ohd. nëlla v. “top”, hnël (haupites) “testa”: òf uit χnel-n- òf uit χnez-l- òf uit χneð-l-. Het eerste is ’t waarschijnlijkst, omdat de ablaut el: ul heel gewoon is, de ablaut ne: nu zeldzamer. Etymologie onzeker. Vgl. dgl. bett. bij knol.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nol v., ouder Nndl. nol = zandheuvel, Mnl. nolle = schedel + Ohd. hnol, Ags. hnoll = toppunt, en met abl. Ohd. nella = top: verwant met knol. De bet. cagoule, reeds bij Kil., berust op die van schedel, kruin.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

nol 'hoogte, zandheuvel, uitpunt van een dijk'
Mnl. nolle, nol 'achterhoofd, duin, uitpunt van een dijk', nnl. nol 'hoogte, zandheuvel', ohd. nollo 'heuvel' en hnol, nol 'top, burcht, kruin', oe. hnoll 'kruin van het hoofd'. Zie ook → Nollen. Langs de Zeeuwse kust gebruikt men nol ter aanduiding van een kunstmatig aangelegd strandhoofd om de zeewering te beschermen, getuige een citaat uit 1548: "Ooc waere van nooden datter hier naer meer van ghelycke nollen ghemaeckt ... werden ... ende dat elcke nolle tegens den dunen gevleyt waere"1. Het Placcaetboek van Vlaenderen vermeldt anno 1576: "het dorp Ter Neuse metten Nollen ende Zee-wercken daer vooren"2. In het binnenland van Noord-Holland gebruikt men het meervoud nollen ter aanduiding van een meer uitgestrekte verheffing van de bodem. Reeds in 1357 te Wimmenum bij Egmond Tres pecie terre in loco vulgariter up den nollen3 en te Assendelft in 1635 de nollen aen de Braeck. Op een kaart van Blaeu (1665) staan ter hoogte van Callantsoog de Nabbers Nollen als duinbultjes ingetekend. Als veldnaam ook voor een bultige, bonkige verhevenheid op een stuk weiland met zachte bodem, meestal een door de koeien bij vochtig weer stukgetrapt en daarna hard opgedroogd stuk land. Zie ook de variant knol.
Lit. 1WNT Beekman sv Nol, 2Derden Placcaetboek van Vlaenderen 459, 3Boekenoogen II 297.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ken-1 als Basis für Erweiterungen der Bed. ‘zusamendrücken, kneifen, zusamenknicken; Zusamengedrücktes, Geballtes’, Bed.-Umfang wie bei gen-.

knek- (nur german.):
aisl. hnakki, hnakkr m. ‘Nacken’ (norw. nakk auch ‘Berggipfel, Kuppe’), ahd. hnac, -ckes ‘Nacken, Gipfel’, bair. nacken ‘Knochen’, ablautend ags. hnecca ‘Nacken, Hinterkopf’, mnd. necke ds., mhd. genicke ‘Genick’; mit der Bed. ‘knicken’ hierher isl. hnakki ‘Anker’, norw. nakke ‘kleiner eiserner Haken’, nøkia ‘krümmen, biegen’, mengl. nōk, engl. nook ‘Winkel, Ecke’ (aisl. hnekkja ‘zurücktreiben, hemmen’, eigentlich ‘zusammendrücken’?).
knes- vielleicht in ahd. hnel, mhd. nel(le) ‘Spitze, Gipfel, Scheitel’, ahd. hnol ‘Gipfel’, ags. hnoll ‘Scheitel’ (*hnezlá-, hnuzlá-?) und lett. knese ‘Knüppel’.
Eine i-Basis in kneigh-, knei-b- ‘neigen’? (s. dort).
u-Basis kneu- und Erweiterungen:
mir. cnū, Gen. cnō (*knūs, *knuu̯os), cymr. cneuen, Pl. cnau, mcorn. knyfan, mbret. knoen ‘Nuß’, gall. *knou̯ā; abgeleitet mir. cnuas ‘Nüsse; Ernte’; mit d-Suffix aisl. hnot, ags. hnutu, ahd. (h)nuz ‘Nuß’; mit k-Suffix lat. nux, -cis ‘Nuß’ (‘Nuß’ also eigentlich ‘Kügelchen, Klümpchen’); Lohmann ZceltPh. 19, 62 ff.
kneu-b-: lit. kniùbti ‘sich bücken’, lett. kņubt ‘einbiegen’;
nisl. hnypra sig saman ‘sich zusammenkauern’, hnypur ‘kauernde Stellung’.
kneu-d-: norw. nut ‘Knorren im Holz, Bergspitze’, aisl. hnūtr m., hnūta f. ‘Geschwulst, Knöchel’, schweiz. nossen m. ‘Felszacke, Vorsprung’.
kneu-g-, -k-:
air. cnocc, nir. cnoc (*knukkos), cymr. cnwch (und als Lw. aus dem Ir. auch cnwc) (ablaut.cnuch ‘joint, coitus’), abret. cnoch ‘tumulus’;
aisl. hnūka ‘sich zusammenkrümmen’, hnokinn ‘gekrümmt’, hnykill ‘Geschwulst, Knoten’, norw. nykkja ‘biegen, krümmen (z. B. einen Eisennagel); hervorragen’, nisl. hnjūkr, hnūkr ‘runder Berggipfel’, norw. dial. nykkla n. ‘Knäuel’, nisl. hnokki m., norw. nokka f. ‘kleiner Eisenhaken’, ags. hnocc ‘Penis’ (engl. nock ‘Einschnitt’ ist schwed. Lw.), mndl. nocke ‘Einschnitt in einer Pfeilspitze’, ndd. nock, nocke ‘hervorstehendes Ende von etwas’, ags. ge(*h)nycned ‘gerunzelt’, nhd. dial. nock, nocken ‘kleiner Hügel; Mehlkloß’ (auch aisl. hnykkia ‘an sich reißen’, etwa aus ‘zusammendrücken’?); neben nock steht nhd. dial. knock ‘Hügel’ (auch im ganzen übrigen germ. Sprachraum), das oben S. 372 Mitte zu erwähnen gewesen wäre (vgl. auch anord. knjūkr, knykill neben hnjūkr, hnykill), aber auch sekundäre germ. Neubildung zu nock sein könnte, und das kn- vielleicht von Worten, wie Knollen, Knopf, Knorren, Knoten, Knüppel usw. bezogen haben kann; vgl. Weisgerber Rhein. Vierteljahrsbl. 1939, 34 ff.;
vgl. lett. knaũkis ‘Knirps; Querholz am langen Sensenstiel’ und gr. κνυζόν· ἀέρα ἐπινέφελον, κνυζώσω· συσπάσω Hes.; toch. A k’ñuk ‘Genick’.
kneu-p-: lett. kńūpt ‘zusammengekrümmt liegen’, lit. kniū́poti ds.;
aisl. hnūfa ‘abstumpfen, stutzen’.
kneu-t-: aisl. hnoða n. ‘Knäuel’.
kondo- ‘Geballtes’:
ai. kanda- m. ‘Knolle’, kandúka- m. ‘Spielball’, kanduka- n. ‘Kissen’;
gr. κόνδοι· κεραῖαι. ἀστράγαλοι Hes., κόνδυλος ‘Knochengelenk der Finger, Knebel, Faust, Ohrfeige, Wulst des Zahnfleisches’, κονδύλωμα ‘Geschwulst’;
lit. kánduolas m. ‘Kern’.

WP. I 390 ff., WH. II 191 f., J. Loth RC. 40, 366.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal