Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nikkel - (chemisch element)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Van Sinterklaas naar Nikkelen Nelis

De stoomboot mag dan ieder jaar uit Spanje arriveren, de Sint zelf stamt uit Turkije. Nicolaas was in de vierde eeuw bisschop in het Zuid-Turkse Myra (tegenwoordig: Demre). Die stad maakte destijds deel uit van het Romeinse Rijk, dat onder Griekse invloed stond. De naam van de bisschop komt dan ook uit het Grieks: Nikolaos is een samenstelling van nikè (‘overwinning’) en laos (‘volk’). Zijn naam betekent dus ‘overwinning van (of met) het volk’. Het Griekse nikè (spreek uit: ‘niekeh’) vinden we ook terug in het Amerikaanse sportschoenenmerk Nike (spreek uit: ‘naaikie’). De voornaam van de Sint was verbreid in het hele Middellandse Zeegebied, ook in de gelatiniseerde vorm Nicolaus.
Als beschermheilige van schippers, scheepsbouwers, vissers, graan- en wijnhandelaars, schilders, kooplieden, apothekers en kinderen verwierf Sint-Nicolaas in de Middeleeuwen een ongekende populariteit. Zijn vermoedelijke sterfdag, 6 december, is de officiële naamdag, maar het eigenlijke feest is in Nederland verschoven naar 5 december. Op ‘pakjesavond’ of ‘strooiavond’ – beide woorden stammen uit de jaren zeventig van de negentiende eeuw – plachten de kinderen hun schoen te zetten. Dat de pakjes pas de volgende ochtend werden geopend, blijkt uit de oorspronkelijke titel van het liedje ‘O kom er eens kijken’ (1898). Die luidt: ‘Zes december’.

Nico
In vroeger eeuwen was het gebruikelijk kinderen naar heiligen te vernoemen. Tegen het eind van de Middeleeuwen was Nicolaas een van de populairste voornamen. Jongensnamen als Nico, Niek, Klaas en Claus zijn daarvan verkorte vormen. Dezelfde oorsprong hebben Niels, Nikita en de Friese voornamen Laas en Lykle. Meisjesnamen die teruggaan op de Sint zijn Klaasje, Klasien, Nicole, Nicolette en niet te vergeten: Nicoline.
Er zijn ook achternamen met deze herkomst. Vroeger was het de gewoonte de achternaam te baseren op de voornaam van de vader. Zo betekent Janssen ‘zoon van Jan’ en Cornelissen ‘zoon van Cornelis’. Achternamen die teruggaan op de voornaam van de Sint zijn Claessens, Collignon, Colijn, Collins, Colmjon en Nietzsche.
In Nederland hebben ruim dertig plaatsen Sint-Nicolaas als beschermheilige, onder meer Amsterdam, Deventer, Edam, Kampen, Valkenswaard en Zoetermeer. Het Oost-Vlaamse Sint-Niklaas en Sint Nicolaasga in Friesland zijn zelfs naar hem vernoemd.

Munt
De naam van het chemische element nikkel gaat ook terug op de goedheiligman. Een bepaalde ertssoort had een koperrode kleur, maar het lukte niet er koper uit te winnen. Door Duitse mijnwerkers werd dit minderwaardige erts spottend ‘Kupfernickel’ genoemd. Nickel, afgeleid van Nikolaus, was een scheldwoord met de betekenis ‘klein mens, kabouter’, en was in de taal van de bijgelovige mijnwerkers de naam van een geest die hen bedroog. Bij populaire voornamen treedt zo’n ongunstige betekenisontwikkeling vaker op; denk aan Jan met de pet of Piet Snot. In 1751 ontdekte de Zweedse mineraloog Axel Frederic Cronstedt in het erts, waarvoor het Zweeds het woord kopparnickel gebruikte, een metaal, dat hij in 1754 de naam nickel gaf.
Het zilverachtige metaal, taai en roestvrij, werd graag gebruikt in munten van geringe waarde. België liep internationaal voorop door in 1860 bij het slaan van munten als eerste land een legering van 75% koper en 25% nikkel te gebruiken. In de negentiende eeuw nam de stofnaam nikkel in de Zuidelijke Nederlanden de betekenis ‘kleingeld’ aan. “Er zijn nikkels van 5, van 10 en van 20 centiemen”, vermeldde een Antwerps woordenboek in 1899. In 1910 beschreef de Vlaamse schrijver Frans Verschoren hoe zo’n muntje eruitzag: “’t Was een schoon, nieuw nikkeltje, blinkend en wit, van vijf cens. Langs den eenen kant stond er een kroon op, en langs den anderen kant een takske, met blaren en een groote tien; en in ’t midden was er een schoon rond holleke.”

Koperen Ko
In de jaren zestig vierde cabaretier Wim Sonneveld triomfen met het ondeugende lied ‘Zij kon het lonken niet laten’. Hij deed dit als ‘Nikkelen Nelis’; terwijl hij het lied zong, was hij van top tot teen behangen met muziekinstrumenten. De naam van het typetje was een knipoog naar de werkelijk bestaande reizende muzikant Koperen Ko (Johannes Willem Leiendecker, 1909-1982; onder dezelfde artiestennaam trad ook Willem van Laar, 1922-1993, in Almelo op). Het jongste lid in de reeks straatmuzikanten met namen die teruggaan op alledaagse metaalsoorten, is Blikken Rik, actief in Leiden en omstreken en op YouTube te bewonderen. Het wachten is op IJzeren IJsbrand, Tinnen Tineke en Aluminium Annemiek.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Van Sinterklaas naar Nikkelen Nelis’, in: Onze Taal 12, 10.]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nikkel [chemisch element] {1778} < hoogduits Nickel, een verkorting van Kupfernickel; de verkorting werd door de Zweedse baron Axel Fredric Cronstedt (1722-1765) in 1754 als naam van het metaal gemunt, nadat hij in 1751 het metaal voor het eerst gevonden had in Kupfernickel [een koperrode erts]. De vorm Kupfernickel is een samenstelling van Kupfer [koper] + Nickel, een scheldwoord dat eigenlijk ‘klein mens, kabouter’ betekent en een afleiding is van Nicolaas. Men benoemde de erts zo, omdat men er ondanks het feit dat het de kleur van koper had geen koper uit kon winnen; daardoor beschouwde men de erts als minderwaardig en kreeg het een scheldnaam. Vgl. voor de betekenis apatiet, blende, doleriet, paragoniet, kobalt, wolfraam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nikkel znw. o., in de 18de eeuw < nhd. nickel. — De Zweedse mineraloog Cronstedt ontdekte het metaal in 1751 en noemde het kopparnickel, een vertaling van nhd. kupfernickel ‘verbinding van arsenicum en nikkel’. Dit woord bevat het nhd. nickel < Nikolaus, de naam voor een kobold, aan wie de mijnwerkers toeschreven, dat zij in plaats van het gezochte zilver dit ‘waardeloze’ metaal vonden (zie ook: kobalt).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nikkel znw. o. Een ook in andere talen ontleend, ’t eerst in 1754 door den Zweedschen mineraloog Cronstedt, die dit metaal 1751 ontdekt had, als metaalnaam gebruikt woord (< hd. nickel “kobold”): verkort uit kupfernickel m. (zw. kopparnickel) “niccolum sulphuratum”, naam van een nikkelrijk erts, waaruit men wel te vergeefs gepoogd had, koper te verkrijgen: voor de bet. vgl. kobalt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nikkel 1 o. (metaal), uit Hgd. nickel, van Zw. id.: zoo genoemd door A. v. Cronstedt in 1754: z. kobald.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ikkel, zn.: nikkelen muntstukje. Door metanalyse uit een nikkel.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nikkel s.nw.
'n Maklik bewerkbare silwermetaal.
Uit Ndl. nikkel (1770).
Ndl. nikkel uit D. Nickel, 'n verkorting van Kupfernickel 'kopernikkel', waar die tweede lid van die samestelling 'n skeldwoord is met die bet. 'klein mensie, kabouter', en 'n afleiding is van Nicolaas. Mynwerkers wat op soek was na silwer het die erts so genoem omdat, ondanks die koperkleur, hulle geen koper daaruit kon verkry nie. Die erts is derhalwe as minderwaardig beskou en het 'n skeldnaam gekry.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nikkel (Duits Nickel)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Niccolum (Ni, 28), Nikkel. In 1751 ontdekte Cronstedt (1722—1765) dit element in een erts dat kopparnickel genoemd werd. Daarom noemde hij het nieuwe metaal nickel. De Zweedse naam kopparnickel is gelijk aan den Duitsen Kupfernickel (= vals koper; ook Lat. cúprum Nicolái = koper van Nicolaus), waarmee een erts werd aangeduid dat geleek op koper, maar geen spoortje koper bleek te bevatten. De naam Nickel, afkorting van Nicolaus, werd gebruikt als naam voor een berggeest, meestal echter als scheldnaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nikkel ‘chemisch element’ -> Indonesisch nikel ‘chemisch element’; Javaans nèkel ‘chemisch element; vernikkelen’; Madoerees nekel ‘nikkel, nikkelen horloge’; Makassaars nêkkelé ‘nikkel, aluminium, wit of geel koperbeslag’; Menadonees nèkel ‘chemisch element’; Muna nikele ‘chemisch element’; Japans nikkeru ‘chemisch element’; Surinaams-Javaans nèkel ‘nikkel; van nikkel, vernikkeld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nikkel chemisch element 1770 [Papillon] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal