Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nik - (knik)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nik II (knik), sedert Kil. Van nikken “knikken”, mnl. nicken “buigen, knikken” (bijna uitsluitend intrans.). = ohd. nicchen (nhd. nicken), mnd. nicken “id.”. Uit idg. qnigh-n- of ḱnigh-n-en verwant met nijgen; vgl. hikken naast hijgen. Minder wsch., maar ook mogelijk is verwantschap met mnl. niel; zie vernielen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nik 2 m. (knik), verbaalabstr. van nikken.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal