Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nieuw - (pas ontstaan, gegroeid of gemaakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nieuw bw. ‘pas ontstaan, gegroeid of gemaakt’
Onl. niuwi in calf nuuui ‘een nieuw kalf’ [10e eeuw; W.Ps.], allerslahta ouaz niwa ande ald ‘allerlei fruit, nieuw en oud’ [ca. 1100; Will.]; mnl. nie, nieu ‘nieuw’, niwe, nuwe ‘nieuwe’ in te sinen nuwen werke ‘ten behoeve van de nieuwbouw’ [1200; CG II], niwe peneghe ‘nieuwe munten’ [1240-60; CG I], de nieuwe brigghe [1297; CG I].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *neuja-. In de nominatief werd door a-umlaut pgm. *-eu- > *-eo- > West-Germaans *-io- > mnl. -ie-, maar in de verbogen vormen werd pgm. *-eu- > *-iu- > mnl. -u-, meestal met een overgangsklank, dus -uw-. Door analogiewerking werd de klinker in dit woord meestal weer gelijkgetrokken, maar het resultaat was in het Middelnederlands niet overal hetzelfde. Nieuw werd later standaardtaal, maar gewestelijk komen nog diverse nevenvormen voor, zoals nie, nij en nuw, nuwe, nouwe enz.
Os. niuwi (mnd. nīe, ney(e), nüwe); ohd. niuwi (nhd. neu); ofri. , nīe; oe. nīwe, nīowe, nēowe (ne. new); on. nýr (nzw. ny); got. niujis; alle ‘nieuw’, < pgm. *neuja-.
Verwant met: Sanskrit návya-; Litouws naũjas; alle ‘nieuw, jong’ < pie. *neuio- (IEW 769), uit de locatief van *neuo- ‘id.’ en dan ook verwant met: Latijn novus (Frans nouveau); Grieks néos (zie ook → neo-); Sanskrit náva-; Avestisch nauua- (Perzisch naw); Oudlitouws navas; Oudkerkslavisch novŭ (Russisch nóvyj); Oudiers nūe; Tochaars A/B ñu/ñuwe; Hittitisch newa-. Mogelijk is er verband met → nu, nou < pie. *nu, maar de precieze relatie is onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nieuw* [pas ontstaan] {in de plaatsnaam Neuuehoua, nu Nieuwenhove (O.-Vl.) <ca. 1040>, nie(u)we, nuwe, ny 1200} oudsaksisch, oudhoogduits niuwi, oudfries ni(e), oudengels niwe, niowe, oudnoors nȳr, gotisch niujis; buiten het germ. latijn novus, grieks neos, oudiers núe, welsh newydd, litouws naujas, oudkerkslavisch novŭ, perzisch nau, oudindisch nav(y)ahnu. De uitdrukking geen nieuws onder de zon is ontleend aan Prediker 1:9.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nieuw bnw., mnl. nieuwe, nûwe, nîe, onfrank. nūwi, os. niuwi, nīgi, ohd. niuwi (nhd. neu), ofri. , nīe, nīa, oe. nīwe, nīowe, nēowe (ne. new), on. nȳr, got. niujis. — Germ. *niuja < *newja, vgl. PN. Neviogastis (Schönfeld, Pers. namen 172) en run. niuwila (Næsbjerg 6e eeuw). — Idg. *neu̯ios in oi. návya-, ion. neĩos, oiers nūe, lit. naujas, toch. A ñu, Β ñune ‘nieuw’, naast *neu̯o- in oi. náva-, gr. ()os, lat. novus, olit. navas, osl. novŭ ‘nieuw’ (IEW 769). — Zie ook: nu.

Het woord heeft in de nl. dialecten verschillende vormen. Voor 1500 vinden wij nuw in N. en Z.Holland, nieuw in Zeeland, Utr. en Brab., nije in Utr. en de Betuwe. De tegenwoordige toestand is: nij, nie in het Oosten tot in Utrecht, in Friesland en Gron., nuw, nouw in N-Holland tot aan het IJ, tussen Amsterdam en Utrecht en om Schoonhoven, terwijl nieuw uit het Zuiden steeds meer opdringt (zie K. Heeroma, Holl. Dial. Stud. 12-13 met de kaarten 3 en 29). — Een merkwaardige dial. nevenvorm is nuwt, waarvan de t uit het onz. kan stammen (vooral in het Z.Limb, zie Royen bij Schönfeld NT 27, 1933, 282); maar ten dele ook onder de invloed van oud kan staan, zoals W. de Vries Ts 39, 1920, 121 vermoedt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nieuw bnw., dial. ook nij (zoo ook in Nijkerk e.dgl. namen) en o. nuut, mnl. nieuwe, nûwe, nîe. Ofschoon de ndl. vormen niet alle gemakkelijk te verklaren zijn, mogen wij geen anderen grondvorm aannemen dan het alg.-germ. *niuja- > *neuja-, waarop ook teruggaan: onfr. nûwi, ohd. niuwi (nhd. neu), os. niuwi, nîgi, ofri. , nîe, nîa, ags. nîwe, nîowe, nêowe (eng. new), on. nŷr, got. niujis “nieuw”. = oier. nue, nuae, nuie, naue, noe “id.” (gall. in Neviodûnum, Noviodûnum), ion. neíos, lit. naũjas, oi. návya- “id.”, lat. Novius als eigennaam. Hiernaast idg. *newo-, lat. novus, gr. néos, obg. novŭ, oudlit. navas, oi. náva- “id.”. Ten onrechte heeft men dezen vorm ook voor het Nederfrank. aangenomen, om de ndl. ie te verklaren. Met r-formans gr. nearós “jong”, arm. nor “nieuw”. Verwant is nu.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nieuw. W.de Vries Tschr. 39, 121 vermoedt voor de dial. -t-vormen invloed van oud (ouwe: out = nuwe: nuwt). Is deze verklaring juist, dan is de vorm op -t te wachten niet alleen in het onz., maar in alle gevallen waar het bnw. onverbogen blijft. Dit is inderdaad het geval in het Zovla. (die broek es nuut); in het Zuidlimb. daarentegen (Royen bij Schönfeld N.T. 27, 282) komt -t in de onz. vorm van bnww. veel voor, wat pleit voor de oude opvatting dat in de -t-vorm bij nieuw de oude onz. uitgang bewaard is. De grote verbreiding van de t-vorm juist bij nieuw kan dan op steun van oud berusten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nieuw bijv., Mnl. nieuwe, en dial. nuw, Mnl. nuwe, Os. niuwi + Ohd. niuwi (Mhd. niuwe, Nhd. neu), Ags. níwe, níowe (Eng. new), Ofri. nie, On. nýr (Zw. en De. ny), Go. niujis + Skr. navyas, Gr. neîos, Lat. Novius, Ier. nuae, Lit. naujas; daarnevens zonder Skr. navas, Gr. néos, Lat. novus, Osl. novŭ, wellicht afgel. van de partikel nu; vergel. Lat. vetus = oud, met Gr. étos = jaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nui (bn.) nieuw; Aajdnederlands niuwi <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nuut b.nw. (pred. vorm)
Wat pas gemaak is of verskyn het, nie oud nie.
Uit Ndl., gewestelik in Holland in die vorm nuut (al Mnl.). Die verbreidheid in Ndl. van nieuw (al Mnl.) skryf Kloeke (1950: 184) veral aan die invloed van die skryftaal toe.
Vgl. nuwe.

nuwe b.nw. (attr. vorm)
Wat pas gemaak is of verskyn het, nie oud nie.
Uit Ndl., gewestelik in S.Holland in die vorm nuwe (al Mnl.). Volgens Kloeke (1950: 181) kan nie afdoende nagegaan word of, en waar, in Ndl. vroeër 'n onderskeid gemaak is tussen 'n pred. en 'n attr. vorm soos wel in Afr. nie.
Vgl. nuut.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nuut: teenoorgestelde v. oud; Ndl. nieuw (Mnl. nieuwe/nūwe/nie, dial. Ndl. nie/nu(w), ens.), in Afr. blb. vroeër nog nieuwt (Frank TB 191 en 203 No. 17), maar vorme m. nieu tans hoofs. in wd. v. tipe nieumodies, nuut veronderstel ouer vorm nuwet, vgl. Kloe HGA 182-3 en kaart aldaar waarop nuut – invl. v. die slot v. oud/out op nieuwe/nuwe nòg vir Ndl. nòg vir Afr. nodig (vgl. Smi OT 211).

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

nieuw-

Er wordt soms bezwaar gemaakt tegen enkele samenstellingen van nieuw- met een substantief:

a. Nieuwbouw [Zie ook hoog-, laag- en ruwbouw.]

Nieuwbouw heeft in het Nederlands drie betekenissen: 1. ‘bouw van nieuwe huizen’; 2. ‘huis, huizen in aanbouw’; 3. ‘pasgebouwde wijk’.

Tot aan het begin van de jaren ’60 werd het door bijna alle puristen als een germanisme (D. ‘Neubau’) afgekeurd. In de woordenboeken vindt men het meestal vanaf de jaren ’50. De meeste aanvaarden het meteen; Koenen noemt nieuwbouw eerst een germanisme, dan een ingeburgerd germanisme en nu maakt hij er helemaal geen bezwaar meer tegen. In de tweede helft van de jaren ’70 is Van Dale het enige woordenboek dat nieuwbouw nog als een germanisme beschouwt.

Het wordt nochtans vaak gebruikt, zowel in de statische (het gebouwde) als in de dynamische betekenis (het bouwen):

‘Het Deltaziekenhuis krijgt een nieuw medisch centrum ... Dank zij de nieuwbouw kan een eind worden gemaakt aan de gespreide ligging van een aantal medewerkers van de medische dienst.’ (NRC, 11.10.72, p. 16)
‘Erachter: een kapitale nieuwbouw, die de praktijkruimte nagenoeg verdriedubbelt...’ (De Telegraaf, 14.10.72, p. 23)

Er zijn al heel wat samenstellingen met nieuwbouw die gemakkelijker te hanteren zijn dan de combinatie tot groep (het tweede deel van die samenstellingen + een voorzetsel + nieuwe (aan)bouw):

‘...de nieuwbouwopdrachten die door onze rederijen ... zijn verstrekt.’ (Elseviers Magazine, 29.5.71, p. 74)
‘Als ik constateer dat ... de nieuwbouworders zich verdubbelden...’ (Elseviers Magazine, 10.7.71, p. 46)
‘...een overheidssubsidie van 20 en later zelfs van 25 procent, op de nieuwbouwprijs van een schip.’ (ibidem)
‘...enkele nieuwbouwprojecten...’ (Elseviers Magazine, 28.11.72, p. 38)

Samen met nieuwbouw wordt ook soms oudbouw gebruikt, dat nog niet in de woordenboeken opgenomen is:

‘...omdat de wanverhouding tussen het huurpeil in de nieuwbouw en dat in de oudbouw steeds grotere vormen aanneemt.’ (De Groene, 20.2.71, p. 2)
‘In het algemeen wordt op dit moment overal ter wereld te gemakkelijk aan nieuwbouw gedaan. Nieuw is de vijand van oud, zegt men in de hoop dat de oudbouw het dan op den duur zal moeten afleggen.’ (Elseviers Magazine, 15.7.72, p. 16)

Oudbouw komt ook alleen voor:

‘Een verpleger in een psychiatrische inrichting (oudbouw, 200 patiënten)...’ (Elseviers Magazine, 27.2.71, p. 103)

b. Nieuwprijs

De meeste woordenboeken hebben dit woord niet opgetekend. Van Dale beschouwt het als een germanisme voor ‘prijs van nieuw, oorspronkelijke prijs’. Jansonius is de enige die nieuwprijs zonder afkeuring vermeldt.

Dit germanisme is nog verre van ingeburgerd. Het schijnt ook slechts in de reclametaal voor te komen:

f 500 onder de nieuwprijs.’ (Het Parool, 13.10.72, p. 25)

c. Nieuwvorming

Dit woord heeft twee betekenissen: een medische (‘ziekelijke weefselontaarding’) en een taalkundige (‘neologisme’). In de woordenboeken wordt het ofwel niet vermeld, ofwel (Van Dale, Koenen) als germanisme afgekeurd. Slechts Weijnen aanvaardt het in de betekenis van ‘neologisme’.

Conclusie:

Het Nederlands kent slechts een paar samenstellingen van nieuw- met een substantief, bijv. Nieuwhoogduits, nieuwjaar, -maar, -koop, -zilver, en die samenstellingen hebben een andere betekenis dan de combinatie tot groep.

Wat nieuwbouw en nieuwvorming betreft, kan men reeds van een zekere differentiatie t.o.v. de combinatie tot groep spreken: nieuwbouw betekent meer dan ‘nieuwe bouw’ (zie bijv. betekenis 3); elke ‘nieuwe vorming’ is nog geen nieuwvorming: nochtans is het eerste ingeburgerd, het tweede niet.

Nieuwprijs heeft een heel andere betekenis dan de combinatie tot groep: het betekent niet ‘nieuwe prijs’ maar ‘prijs van nieuw, oorspronkelijke prijs’. Ondanks dit betekenisverschil wordt de samenstelling nog niet aanvaard.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nieuw: vermoedelijk verwant met het Idg. nu = nu, thans; nieuw is dus: van thans, wat thans ontstaat. (Vgl. de volkstaal nuuw.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nieuw ‘pas ontstaan’ -> Javindo nuwe ‘nieuwe’; Negerhollands nieuw, niw ‘pas ontstaan’; Sranantongo njun ‘pas ontstaan’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nieuw* pas ontstaan 1040 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

nieuwe wilde, door het expressionisme en fauvisme beïnvloede schilder met een ‘wilde’ stijl. Vnl. in Frankrijk en Duitsland. Sinds begin jaren tachtig. Ook bijvoeglijk: het nieuwe wilde schilderen.

Volgens de ideoloog van het nieuwe wilde schilderen, de Duitser ‘Wolfgang Max Faust’, is er geen sprake van een tegenovergestelde mentaliteit. (Vinyl, februari 1987)

nieuwe wereldorde, de gewijzigde Oost-Westverhoudingen door de ineenstorting van de communistische regimes in de Oostbloklanden. In de nieuwe wereldorde zou de souvereiniteit van alle staten gewaarborgd worden. De onderliggende gedachte was die van Amerika als politieman van de wereld. De term werd vooral gebruikt m.b.t. de buitenlandse politiek van Washington en werd populair gemaakt door voormalig president Bush tijdens de Golfoorlog. Het was echter Brent Scowcroft, één van de militaire bevelhebbers, die de term voor het eerst lanceerde.

Het is lente. Tijd van grote schoonmaak, tijd van nieuwe orde. Terwijl Bush onverdroten voortgaat op het pad van de Nieuwe Wereldorde, zogen de schapen hun lammeren en zoeken de vogels een nest. (Opzij, april 1991)
President Bush is geen uitzondering. Hij is een handelsreiziger in nieuwigheden. Opzienbarend was al zijn aankondiging van een nieuwe wereldorde die op zijn gezag tot stand zou komen. Hoe die er precies zal uitzien heeft hij nog nauwelijks onthuld, maar het klinkt goed en elke deskundige probeert de bedoelingen van Bush te duiden. (Elsevier, 10/08/91)
Met de ‘nieuwe wereldorde’ zal het, naar het zich laat aanzien, voorlopig niet veel worden. De Amerikaanse president Bush gebruikte het begrip naar aanleiding van de pogingen van de Verenigde Naties en de Verenigde Staten om de agressie van Irak tegen Koeweit tot staan te brengen. (De Volkskrant, 20/08/91)
Dat de ‘nieuwe wereldorde’ geen fundamentele wijzigingen inhoudt voor de manier waarop in Washington buitenlandse politiek wordt bedreven, werd deze week nog maar eens geïllustreerd door de officiële benoeming van Robert Gates tot direkteur van de CIA. (De Morgen, 09/11/91)
Bij alle euforie over Gorbatsjow, de laatste jaren, liet ik langs mijn neus weg, me machtig pienter wanend, wel eens vallen dat bij mijn weten de Muur er nog stond. En pffft, hij was weg. Toen hij weg was, jubelden allen over een nieuwe wereldorde en een eeuwige vrede. (Gerrit Komrij: Met het bloed dat drukinkt heet, 1991)
Het nieuwe élan is vooral te danken aan het feit dat de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie een paar jaar geleden besloten de strijdbijl te begraven. Vanaf dat moment veranderde de volkerenorganisatie van een arena vol Oost-Westgladiatoren in de werkplaats van de Nieuwe Wereldorde. (Het Parool, 04/04/92)
Wat de Amerikanen daarbij in gedachten hebben wordt al snel duidelijk aan het deerniswekkende, maar moorddadige fiasco van Bush’ arrogante aankondiging van een ‘nieuwe wereldorde’: een nieuwe variant op het bekende thema van de VS als politieman van de wereld. (Trouw, 20/06/92)
Enthousiasme voor de nieuwe wereldorde of de VN, waarin de economische grootmachten Duitsland en Japan een permanente zetel in de Veiligheidsraad zouden kunnen opeisen, is in Bonn en Tokio ver te zoeken. (HP/De Tijd, 23/09/94)
Het zijn woorden die te pas en te onpas vallen, dikwijls in het gezelschap van twee andere favorieten uit die jaren: Nieuwe Wereldorde en Het Einde Van De Geschiedenis. (Elsevier, 21/09/96)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

225. Nieuwe bezems vegen schoon.

Dit wordt gebezigd in toepassing op hen, die nog korten tijd in dienst zijn en hun plicht nauwgezet waarnemen; nief meisens dienen goed (Antw. Idiot. 1648). Vgl. Werner, blz. 73: Pulverulenta novis bene verritur area scopis; bl. 74: Quam bene, quam munde scopa nova purgat abunde; Bebel no. 280: Dicunt nostri: Novam scopam bene purgare et verrere domum: sic novos servos in principio bene servire. Voor de 16de eeuw vgl. Prov. Comm. 549: Nieuwe bessemme veeghen wel; Campen, 133: Nye bessemen veghen schoone; Spieghel; 300; De Brune, 453:

 Nieuwe bezems vaeghen best,
 Beter als zy doen op 't lest.

Zie verder Harreb. I, 54 a; Taalgids V, 158; Büchmann, 94; Eckart, 44; Welters, 107: Nieuwe bezems keren goed; Joos, 160; Antw. Idiot. 217; Waasch Idiot. 106 b: Nieuwe bessems vagen goed, maar die eerst een bessem was, wordt daarna een schrobber, nieuwigheid behaagt, maar duurt niet lang; vgl. het fri: nije biezems feije skjin; fr. un balai neuf nettoie toujours bien; hd. neue Besen kehren gut; eng. new brooms sweep clean; nd. nigge messer snihet scharp; nigge Mïagde lopet harde (Jahrb. 38, 160). In het Fransch noemt men een nieuwe dienstbode un nouveau balai; deze zegt van zich zelf faire balai neuf.

2128. Splinternieuw,

d.w.z. fonkelnieuw, gloednieuw, d.i. zoo nieuw, dat het nog den gloed der nieuwheid draagt. In de 17de eeuw spikspeldernieuw, zie o.a. Huygens IV, 27; Brederoo II, 204; Halma, 599; speldernieuw (bij Coster, 572, vs. 548; hd. dial. spelterneu). Splinternieuw (Halma, 600) zoowel als speldernieuw willen beide zeggen zoo nieuw als een pas afgehouwen splinter. Het voorgevoegde spik beteekent spijker (eng. spick, spike; mnl. spike), zoodat het geheele woord beduidt zoo nieuw als een spijker, die pas uit het vuur komt en een splinter, die juist is afgehouwen; in het eng. zegt men eveneens spick and span new naast spandernew, span-fire-new. Kiliaen kent ook spelle-nieuw j. vier-nieuw. Bij Van Effen, Spect. IX, 146 treffen we splinternieuw aan, dat ook aan Tuinman bekend is. Zie De Jager, Verscheidenheden, 325-328; V. Janus, 3, 200; vgl. het hd. dial. splitterneu; splinterneu; funkelnagelneu, splitter fasernackt, eig. bis auf den letzten Splitter, die letzte Faser entblöszt (Borchardt, no. 1119Eer zou ik denken aan analogie-formatie op het voorbeeld van splitterneu. Zie ook Deutsche Wortforschung V, 244.), dat te vergelijken is met het gron. splinternoakend (Molema, 397 a); de. splinterny; zwe. splitterny; zuidndl. spikspaandernieuw; splindernagelnieuw, splenternagelnieuw, vonkelnagelnieuw; speksponnieuwe.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

neu̯os, -i̯os ‘neu’

Ai. náva-, av. nava- ‘neu’, Kompar. navatara- (: gr. νεώτερος), gr. νέ(ϝ)ος, lat. novus, osk. Núvlanúis ‘Nōlānīs’ (aus *Núvelā = lat. Nōla), alit. navas, apr. neuwenen bestimmter Nom. Sg. n. (*nawanjan; apr. nauns wohl nach jauns ‘jung’), abg. novъ ‘neu’; -i̯o-Form ai. návya-, ion. νεῖος, gall. Nevio-, Novio-dūnum (‘Neuen-burg’), air. nūë, cymr. newydd, abret. nouuid, neuued, bret. neuez, got. niujis, aisl. nȳr, ahd. as. niuwi, ags. nīwe, nēowe, lit. naũjas ‘neu’; toch. А ñu, В ñune ds., hitt. neu̯a- ds.; mit -ro-Formans gr. νε(ϝ)αρός, arm. nor ‘neu’ (*nou̯ero-), lat. nover-ca ‘Stiefmutter’; gr. νεάω = lat. novāre ‘erneuen’ (davon novālis ‘ein Acker, der zum ersten Male oder nach einjähriger Ruhe gepflügt wird’; Formans wie in aequālis, also ‘junges Alter habend’); νεότης = lat. novitās ‘Neuheit’; Feminina mit ī- neben ā-Suffix (s. Specht Idg. Dekl.323 f.) liegen folgenden Bildungen zugrunde: lat. novīcius ‘neu, Neuling’; russ. novíkъ ‘Neuling’; gr. νέᾱξ ‘junger Kerl’; ksl. novakъ ‘Neuling’; aber νεᾱνίᾱς ‘Jüngling’ aus νεϝο-αν- ‘junger Atmender’; νεοχμός ‘neu’ s. oben S. 414.

WP. II 324, WH. II 181, Trautmann 194. Ablautend nū̆ ‘nun’ s. dort; s. auch *e-neu̯en ‘neun’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal