Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

neutraal - (geen partij kiezend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

neutraal bn. ‘geen partij kiezend’
Mnl. neutrael ‘geen partij kiezend, tot geen van beide partijen behorend’ in neutrael staen ... twijsschen den grave ende der stede van Gendt [1470; MNW tusschen]; vnnl. neutrael ‘het midden houdend’ [1599; Kil.], ‘tot geen der oorlogvoerende partijen behorend’ in alle persoonen van wat natie sy zijn, onse vrienden ende neutrale ‘alle personen uit welk land dan ook, (met name) onze vrienden en neutralen ...’ [1603; WNT]; nnl. neutraal ook ‘geen standpunt innemend m.b.t. confessie’ in dit streven naar de neutrale volksschool [1857; WNT], ook ‘geen van twee tegenstelde eigenschappen bezittend’, bijv in neutrale, ... koude en warme kleuren [1908; WNT warm], ‘niet denigrerend of waarderend’, gezegd van een woord of uitdrukking, bijv. in neutralen zin ... in ongunstigen zin [1912; WNT doorslepen].
Ontleend, al dan niet via Middelfrans neutral ‘onzijdig, goed noch slecht’ (Nieuwfrans neutre ‘onzijdig, onpartijdig’), aan Latijn neutrālis ‘van onzijdig geslacht’, een afleiding van neuter ‘onzijdig; goed noch slecht’; neuter is gevormd uit ne- ‘niet’, verwant met → nee(n), en uter ‘een van beiden’, verwant met → ieder.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

neutraal [onzijdig] {neutrael 1451-1475} < frans neutral < latijn neutralis [(grammaticaal) onzijdig], van neuter [geen van beide(n)] (vgl. neutrum).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neutraal bnw., reeds mnl. neutrael ‘op zich zelf staande, onpartijdig’, zal wel rechtstreeks afgeleid zijn < lat. neutrālis, afl. van neuter, dat voortleeft in fra. neutre > mnl. neutre ‘onzijdig’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† neutraal bnw., reeds mnl. Wsch. uit mlat. neutrâlis. Uit fr. neutre mnl. neutre (nog zuidndl. neuter) ‘neutraal’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1neutraal b.nw.
1. Sonder om kant te kies of in te meng, onpartydig. 2. Wat nie een van twee teenoorstaande eienskappe besit nie, bv. nie suur of alkalies nie.
Uit Ndl. neutraal (al Mnl. in bet. 1, 1834 - 1856 in bet. 2).

2neutraal s.nw.
Toestand of posisie waarin die ratte van 'n enjin ontkoppel is.
Uit Eng. neutral (1912).
Eng. neutral is 'n verkorting van neutral gear.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Neutraal (Lat. neutrális = van geen van beide geslachten, onzijdig; neúter = geen van beide). Het midden houdend tussen twee uitersten. In scheikunde: noch zuur, noch basisch. In electrici- teitsleer: noch positief, noch negatief electrisch.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

neutraal ‘onzijdig’ -> Indonesisch nétral ‘onzijdig’; Javaans nétral ‘onzijdig’; Menadonees nètral ‘onzijdig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

neutraal onzijdig 1451-1475 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal