Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nes - (zacht, week)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nes2* [zacht, week] {nesch, nisch 1568} oudengels hnesce (engels nesh), gotisch hnasqus; buiten het germ. lets knost [tussen de veren krabben], oudindisch kiknasa- [deeltjes gemalen koren] (vgl. nek).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nes 2 bnw. (zuidnl.) ‘zacht, week, vochtig; stinkend; vers, fris’, mnl. nesch, nisch ‘zacht, week’, oe. hnesce (ne. nesh), got. hnasqus ‘week, teer’; daarnaast het ww. ohd. hnascōn ‘snoepen’, oe. hniscan ‘week worden’, hnescian, hnexian ‘teer worden, toegeven’. — lett. knùosti, knuost ‘met de snavel de veren uitpikken’, oi. ki-knasa- m. ‘deeltjes van fijngewreven graan’, gr. knéōros (< *kné[s]oros) ‘soort netel’, van de idg. stam *kenes, afl. van *ken ‘stukwrijven’ (IEW 561). — Zie ook: nek.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nesch bijv., Mnl. id. + Ags. hnesce (Eng. nesh), Go. hnasqus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

nis, bn.: zacht, zachtgekookt. Vl. ook nes ‘zacht, week, smeuïg’. Mnl. nesch ‘zacht, week’, Vnnl. 1568 een nisch ey is een suyverlick eten, Gent (LC), 1599 nes, nesch ‘madidus, q.d. nat, Germ. naß’, nesch weder ‘vochtige lucht’, nesch oft nes brood ‘vochtig brood’ (Kiliaan). Fri. nesk ‘week’, Oe. hnesce, E. dial. nesh, Got. hnasqus ‘zacht’. Etymologie onduidelijk, maar vermoedelijk verwant met De. naske, D. naschen ‘snoepen’, Mhd. naschen, neschen. Zeker niet verwant met D. nass ‘nat’, zoals Kiliaan veronderstelde.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

nes (G), nis (G, H, W), bn.: zacht, week, smeuïg. Mnl. nesch 'zacht, week', Vnnl. 1568 een nisch ey is een suyverlick eten, Gent (LC), 1599 nes, nesch 'madidus, q.d. nat, Germ. naß', nesch weder 'vochtige lucht', nesch oft nes brood 'vochtig brood' (Kiliaan). Fri. nesk 'week', Oe. hnesce, E. dial. nesh, Got. hnasqus 'zacht'. Etymologie onduidelijk, maar vermoedelijk verwant met De. naske, D. naschen 'snoepen', Mhd. naschen, neschen. Zeker niet verwant met D. nass 'nat', zoals Kiliaan veronderstelde.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

nes, nesk zacht, week, drassig, licht vochtig, (fig.), mal (Holland, West-Vlaanderen). = mnl. nesch ‘week’ = fri. nesk ‘week’, got. hnasqus ‘week’. ~ oind. ki-knasa ‘fijn-gewreven graan’.
Pannekeet 235, WVD 70, Feist 197, NEW 468.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

nes (DB, K, WVD: oost, P, Stavele), nis (DB, B, O), bn.: vers, zacht, smeuïg (van spijzen, m.n. brood). Mnl. nesch ‘zacht, week’, Vroegnnl. nes, nesch ‘madidus, q.d. nat, Germ, naß’, nesch weder ‘aër humidus, madens’, nesch oft nes brood ‘panis multa aqua con-spersus, maceratus atque coctus’ (Kiliaan). Fri. nesk ‘week’, Oe. hnesce, E. dial. nesh, Got. hnasqus ‘zacht’. Etymologie onduidelijk, maar vermoedelijk verwant met De. naske, D. naschen snoepen’, Mhd. naschen, neschen. Zeker niet verwant met D. nass ‘nat’, zoals Kiliaan veronderstelde.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal