Meehelpen? Ga naar etymologieWiki
|
natuur - (het vrije onbebouwde landschap, dat wat rondom de mens is; oorsprong van alle scheppende krachtEtymologische (standaard)werken
M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdamnatuur zn. ‘het vrije onbebouwde landschap, dat wat rondom de mens is; oorsprong van alle scheppende kracht; aard’ P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpennatuur [aangeboren neiging, landschap] {nature 1201-1225} < frans nature of direct < latijn natura [geboorte, natuur, aard, werkelijkheid], van nasci (verl. deelw. natum) [geboren worden] (vgl. natie). J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leidennatuur znw. v., mnl. nature v. < fra. nature of lat. natura. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haagnatuur znw., mnl. natûre v. Of uit fr. nature, of direct uit lat. nâtûra. Ook in andere talen ontleend. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gentnatuur v., uit Lat. naturam (-a), een afleid. van natus (d.i. *gnatus) = geboren, van wrt. gen (z. kind en voor het suffix, vergel. avontuur). Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands
G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenboschnatuur s.nw. Thematische woordenboeken
N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboeknatuur (Latijn natura of Frans nature)
W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gentnaturen. - In het Fransch is nature een der woorden, die in het meervoud, en ook wel in het enkelvoud, gebruikt worden om den persoon zelf aan te duiden: zoo zegt men les natures réservées, les natures les plus intrépides enz., waarmede bedoeld wordt teruggetrokken menschen, de dapperste lieden enz. Onze taal laat een dergelijk gebruik van natuur niet toe, noch in het enkelvoud noch in het meervoud. || Reine was een besloten natuur, mededeelzaamheid was geene noodwendigheid voor haar, LOVELING, D. E. 26. Veria had nooit van hem gesproken sedert zijne thuiskomst en Reine ook vermeed hem te noemen: de grofste evenals de fijnste naturen hebben soms zulke terughoudendheden, 127. Uitleenwoordenboeken
N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015natuur ‘aangeboren neiging’ -> Duits dialect Natüür ‘aangeboren neiging’; Indonesisch natur ‘aangeboren neiging’; Ambons-Maleis natīr ‘sperma’; Negerhollands natuur ‘eigenschap, aangeboren neiging’. Dateringen of neologismen
N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdamnatuur aangeboren neiging 1201-1225 [CG II1 Floyris] <Frans of Latijn natuur landschap 1697 [WNT] Idioomwoordenboeken
F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen689. De gewoonte is (of wordt) een tweede natuur,d.w.z. men kan aan iets zoo gewoon raken, dat men het doet, alsof het altijd in onze natuur had gelegen, alsof het ons altijd eigen geweest ware. Deze gedachte dateert uit de oudheid. Ze komt voor bij Aristoteles, Rhetorica, I, 11; Cicero, de Finib. V, 25, 74: Voluptarii..... dicunt consuetudine quasi alteram quamdam naturam effici; Augustinus, de Musica VI, 14, 28: Consuetudo quasi secunda natura dicitur; mgri. δευτερα φυσις συνηθεια. 1604. De natuur gaat boven (of is sterker dan) de leer,d.w.z. ‘de aangeboren neigingen zijn sterker dan alle onderricht en vermaningen’; hd. Natur geht für Lehr; oostfri.: Natur geit aver d' Lehr (Wander III, 971). Een oud spreekwoord, dat in het mnl. luidt vore leringe gaet nature (vgl. Rose, bl. 251, vs. 142) en verder o.a. staat opgeteekend in de Prov. Comm. 542: natuere gaet boven leere; bij Servilius, 145*: natuer gaet voor leere; Campen, 18: die natuere gaet voor die leere; Sartorius II, 7, 90: naturam expellas furcâ, tamen usque recurret 2270. Den tol aan de natuur betalen,d.w.z. sterven, een natuurlijken dood sterven; in het mnl. der naturen scout (of recht) betalen of (ver)ghelden; der werelt scout ghelden; der doot haer scout gheven; sine scout betalen of ghelden; ook sijns levens tol geven of tol van den live geven, doch dit laatste in den zin van iets met zijn leven bekoopen, het leven verliezen (Mnl. Wdb. IV, 2198; VII, 712; VIII, 527). De zegswijze herinnert aan het niet spreekwoordelijke Latijn: naturae debitum reddere (Nepos). Zie Brederoo III, 114, vs. 380: Den tol van de natuur elck een betaelen moet; Bilderdijk I, 320 voor: Morgen leg ik 't hoofd toch neder en betaal Natuur haar recht; Veegens, Hist. Stud. 2, 206: Mijn grootvader betaalde den 3den September 1797 den tol der natuur; zie ook Nkr. I, 3 Nov. p. 3: Hij wou Mageren Hein verhinderen hem de tol aan de natuur te doen betalen. Ook in den zin van de rechten der natuur laten gelden; zijn menschelijke natuur laten blijken; vgl. Geel, Sent. Reis, 56: Toen de bedroefde man zoo ver in zijn verhaal was, hield hij op, om aan de natuur haren tol te betalen, - hij weende bitterlijk; Ndl. Wdb. IX, 1612; hd. die Schuld der Natur bezahlen; fr. payer le tribut ou sa dette à la nature; eng. to pay the debt of nature. Overige werken
Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |