Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

natie - (volksgemeenschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

natie zn. ‘volksgemeenschap’
Mnl. nacie ‘afkomst, afstamming; groep mensen met gemeenschappelijke afkomst’ in so dat onse nacie ... valle spacie ‘opdat onze gemeenschap ruimte ten deel valt’ [1350-1400; MNW-P], alle menschen ..., ute wat nacien dat si comen willen ‘alle mensen, van welke afkomst dan ook’ [1380-1400; MNW-P]; vnnl. alle deghene die ... zeyden te wesen van der natie van Aegipten ‘iedereen die zei heiden te zijn’ [1537; Stall. II], schaarden zich de ambachten in ... de negen naties ‘... in negen gilden’ [1570; Stall. II], natie oft geslachte van volcke ‘de gezamenlijke personen (nakomelingen, afgevaardigden, representanten) van een volk, volksstam’ [1573; Thes.]; nnl. natie ‘volk in staatkundige zin’ in De Hollandsche Natie [1812; boektitel van Helmers].
Ontleend aan Frans nation, aanvankelijk nasciun, nascion [12e eeuw; Rey], met o.a. de betekenissen ‘afkomst, afstamming’ [ca. 1165; Rey], ‘groep mensen met gemeenschappelijke afkomst’ [1175; Rey], nu vooral ‘door staatsgrenzen bepaald volk’ [1789; Rey]. Het Franse woord is ontleend aan Latijn nātiō ‘afkomst; volk’, horend bij het werkwoord nāscī (verl.deelw. nātus) ‘geboren worden, afstammen’, zie → natuur.
De constante factor in de betekenis van het woord natie is ‘groep mensen die zich met elkaar verbonden voelen’. De verbindende factoren (afkomst, religie, taal, gemeenschappelijke geschiedenis e.d.) kunnen zeer verschillend zijn, wat de grote politieke en sociale wrijvingen verklaart die het begrip kan oproepen. Onder invloed van de Franse Revolutie ontstond de betekenis die thans in de talen van het westen dominant is, namelijk ‘groep die door politieke instellingen verbonden is’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

natie [volk] {nacie, natie 1408} < frans nation < latijn nationem, 4e nv. van natio [geboorte, afkomst, volksstam, natie], van nasci (verl. deelw. Natus) [geboren worden], verwant met gignere [verwekken], grieks gignesthai [geboren worden] (vgl. genus, genesis, natuur).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

natie znw. v., mnl. nacie, natie v. en nacioen m. ‘afstamming’ en ook ‘corporatie’ (nog in zuidnl.). Deze vormen gaan terug op resp. lat. natio en fra. nation.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

natie znw., mnl. nacie, natie v. en nacioen m. “afstamming” en (zoo nog zuidndl.) “corporatie”. De laatste vorm uit fr. nation; de eerste òf ook hieruit met suffixsubstitutie òf uit lat. nâtio. De bet. “volk” sedert het oudere Nnl. Ook in andere talen ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

naasje, zn.: gepeupel, gespuis. Vgl. Br. naasse ‘id.’. Dial. uitspraak van natie ‘volk’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

atie, zn.: volk, mensen. Door metanalyse uit natie.

naasse, zn.: volkje, gemeen volk. Brabantse uitspraak van natie ‘volk’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nasie s.nw.
1. Groep mense met 'n gemeenskaplike oorsprong, taal en kultuur. 2. Groep mense wat 'n staatkundige eenheid vorm. 3. (skertsend) Groep mense met eiesoortige kenmerke.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. natie (al Mnl.). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. In Mnl., en ook in S.Ndl., het natie ook die bet. 'gilde, ambag', en dit is wsk. uit hierdie gespesialiseerde toepassing wat bet. 3 ontwikkel het.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

na’tie (de, -s), (ook:) groep van zich sterk verwant voelende personen. Ze [jongeren] trekken dus op als één natie, kleden zich eender, feesten gezamenlijk, spreken dezelfde taal: wakamanstaal*! Het intergratieproces is in dit land veel verder dan velen denken (BN 120: 15; 1980). - Etym.: In AN in deze bet. veroud.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

natie [naa’tsie], naatsie, de natie: het Joodse volk, de (Portugees) joodse gemeenschap | (< Fr. nation) < Lat. natio, van nasci: geboren worden.
Waarom werd het begrip ‘natie’ juist voor en door de joden gebruikt? Wellicht omdat al in de zestiende en zeventiende eeuw het woord ‘natie’ (of: ‘landaard’) vaak werd gebruikt voor een groep (kooplieden) die zich in een buitenlandse stad gevestigd hadden: ‘de Nederlandtsche Natie tot [te] Dantzigh’ [1704]. Een dergelijke groep trachtte zich gezamenlijk een bepaalde rechtspositie te verwerven. En zo zal ook de vestiging der ‘Portegiezen’ in Amsterdam niet heel anders gezien zijn dan, bijvoorbeeld die der Hollanders in Dantzig.

— Bekend was de zegswijze: “Hij is van de natie”, waarvoor verband werd gezocht met de schriftplaats waar Mozes tot de Heer zegt: “Zie aan dat deze natie uw volk is” (Ex.33, 13). Het Joodse volk was de natie bij uitnemendheid, doch die betekenis werd in de mond des volks veelal tot ene ironie. (S. KALFF, 1926)
— Maar vooral hardvochtige Sem en Moos hekelden en schimpten zo wreed de “natie”, met haar vuurteekens van verval. En Jaap vermorzelde al de Pottegiezen onder zijn donderende halters en sloeg maar stuk op borst en ribben. (IS. QUERIDO, 1931)
— Zeker, ook nú nog waren er brave, geleerde en kunstzinnig-begaafde Portugezen. Maar de “natie” in haar geheel, slonk langzamerhand wég. (IS. QUERIDO, 1931)
— Ik breng de oorlog door met jou in concentratie,
Met alle jooden (menschen) bij elkaar,
Wat een consternatie.
Er is aan ruzie geen gebrek,
En niemand houdt een uur z’n ... mond,
Oh jongens, wat zijn wij toch voor een natie.
[Vught Potpuri, in] (RUTH KUPPERSCHLAG)
— Gerrit van der Linde Janszoon, ‘De Schoolmeester’ liet omstreeks 1840 de volgende ‘geestige’ impressie van een jodenkerkhof drukken: ‘Hier liggen er twintig van de natie. Te voren vol lawaai; thans zonder conversatie.’ (MOZES HEIMAN GANS, 1971)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

natie ‘volk’ -> Fries naasje ‘volk’; Indonesisch nasi ‘volk’; Negerhollands natie, naschie, naśi ‘volk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

natie volk 1408 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal