Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

narwal - (soort walvis (Monodon monoceros))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

narwal zn. ‘soort walvis (Monodon monoceros)’
Nnl. De logge narwal duikt ..., Om met zyn' elpen tand de wortel los te wroeten [1769; iWNT].
Ontleend aan Deens narhval ‘narwal’, ouder nahval, verwant met Oudnoords náhvalr ‘narwal’ en samengesteld uit een onzeker eerste lid en hvalr ‘grote zeevis’, zie → walvis. Het eerste lid moet wrsch. geïdentificeerd worden met on. nár ‘lijk’. Het dier zou dan genoemd kunnen zijn naar de kleur van zijn huid, die aan die van verdronken zeelieden deed denken (De Vries 1962, Katlev). In oudere teksten, bijv. van Ole Worm in 1632, wordt daarentegen geschreven dat het dier zich met lijken zou voeden. Andere etymologieën zijn vanwege de onverklaarde -r- zeer speculatief: zo zou er, vanwege de karakteristieke, naar voren stekende slagtand van de narwal, verband bestaan met pgm. *nasō- ‘neus’, zie → neus, of met on. nál ‘naald’ (OED3), zie → naald, waarbij on. náhvalr dan zou zijn ontstaan uit *nál-hvalr.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

narwal [walvisachtige] {1769} < deens, noors narhval < oudnoors náhvalr, van nár [lijk], gotisch naus [idem], vgl. oudkerkslavisch navĭ, oudcornisch naun [lijk], lets nāve [dood (zn.)]; vermoedelijk zo genoemd naar de wittige huid. Voor het tweede lid vgl. walvis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

narwal znw. m., nnl. evenals nhd. narwal, ne. narwhal, fra. narval uit het Skand. vgl. nde. nzw. narhval, dat zelf vervormd is uit on. nāhvalr, dat men gewoonlijk verklaart als een samenstelling van nār ‘lijk’ en hvalr (waarvoor zie: walvis).

Charpentier BB 30, 1906, 160 wilde het woord afleiden uit idg. *nokro, vgl. oi. nakra ‘krokodil’, maar ook ‘balk’; dit is weinig aannemelijk. — On. nār beantwoordt aan got. naus, oe. nē-, nēo-, vgl. verder osl. navĭ ‘lijk’, lett. nāwe ‘dood’, opr. nowis ‘lijk, romp’ (IEW 756). — Zie ook: nood.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

narwal znw., nog niet bij Kil. Evenals nhd. narwal m., eng. narwhal, fr. narval “narwal” uit de., zw. narhval “id.”. Dit is vervormd blijkens on. nâhvalr m. “id.”. Voor ’t tweede lid zie walvis. ’t Eerste wordt geïdentificeerd met on. nâr m. “lijk” = got. naus m., ags. nêo- (in samenst.) “id.” (de narwal genoemd naar de wit-en-zwart-gevlekte huid?), dat wel bij de onder nood besproken basis gebracht wordt, maar ook wel anders wordt verklaard. [Eventueel zou men got. naus enz. met ksl. navĭ “líjk”, opr. nowis (“id.”? In ’t Elbinger glossaar met “rump” vertaald) kunnen combineeren en van de overige woordgroep scheiden. Iedere groepeering der in aanmerking komende woorden is echter onzeker.] On. (-hvalr) is ook met oi. nakra- “krokodil” gecombineerd: niet wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

narwal m., gelijk Hgd., Eng. enz., ontleend van Skand. (Zw.-De.) narhval, On. náhvalr: het tweede lid hvalr = wal(visch); het eerste wellicht On. nár, Go. naus, Ags. néo + Lett. nahwe, Opr. nowis, Osl. navĭ = lijk, wegens zijn kleur (z. walrus).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

narwal s.nw.
Groot soogdier in die dryfys van die Noordpoolstreke.
Uit Ndl. narwal (1660).
Ndl. narwal uit Deens narhval of Noors narhval, met lg. uit Oudnoors náhvalr, 'n samestelling van nár 'lyk' en hvalr 'walvis', so genoem omdat die soogdier walvisagtig is en die liggrys of witterige kleur daarvan aan 'n lyk herinner.
D. Narwal (1723), Eng. narwhal (1658), Fr. narval (1627), Sweeds narhval (1796).
Vgl. walrus, walvis.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

narwal: Arktiese seedier (Monodon monoceros, fam. Monodontidae); Ndl. (blb. sedert 18e eeu) narwal, Hd. narwal, Eng. narwhal, Fr. narval, uit De. of Swe. narhval, verb. m. On. nahvalr (uit (ná-r, “lyk” (n.a.v. huidskleur) en hval, dies. as wal(vis) en Eng. whale); v. ook walrus.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

narwal (Deens/Noors narhval)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

narwal ‘walvisachtige’ -> Engels narwhal ‘arctische tandwalvis’; Lets narvalis ‘walvisachtige’; Esperanto narvalo ‘walvisachtige’ <via Engels>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

narwal walvisachtige 1660 [Schierbeek, Schouwburg der dieren 98] <Deens of Noors

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal