Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nar - (zot, dwaas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nar zn. ‘zot, dwaas’
Mnl. narre ‘(beroeps)zot aan een vorstelijk hof of rederijkerskamer’ [1432-68; MNW], ‘zot, dwaas’ (zn. en bn.) [1477; Teuth.]; vnnl. nar ‘id.’ in nar oft sot van eenigen spele [1573; Thes.], narre der fransche edelheit [1562-92; MNW].
Ontleend aan Middelhoogduits narre (zn.) ‘zot, dwaas’ (Nieuwhoogduits Narr) < Oudhoogduits narro, van onbekende verdere herkomst.
Voor zover het woord voorkomt in andere Germaanse talen, is het eveneens ontleend: mnd. narre; nzw. narri, nde. narr.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nar [zot] {nar(re) [zot, dwaas, potsenmaker, nar] 1432-1468} < hoogduits Narr, oudhoogduits narro; mogelijk ontleend aan middeleeuws latijn nar(r)ire [(be)spotten], van latijn naris [neusgat, in het mv.: neus], vgl. naribus uti [de neus voor iets ophalen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nar znw. m., in de 17de eeuw < nhd. narr, mnd. narre. De herkomst van dit woord is geheel onzeker; een vermoeden is de afl. uit laat-lat. nario ‘iemand die de neus optrekt; spotter’ (Diez, Etym. Wört. 646). — Daar het woord oorspronkelijk uitsluitend hd. is, bestaat er weinig aanleiding idg. verwanten op te sporen, zoals oi. narma- ‘scherts’, nṛtyati ‘dansen’.

J. Schrijnen Ts 20, 1901, 313 wil met s-voorslag hiermee verbinden on. snarr ‘haastig’ en nnl. snorren; deze woorden hebben echter onderling niets met elkaar te maken, maar een verbinding van nar, indien de verbinding met oi. nṛtyati juist zou zijn, met ohd. snarr is mogelijk (IEW 975-7).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nar znw. Teuth. narre. Uit het (Oostmnl. of) Hd.; uit ’t Du., de. nar, zw. narr. Reeds ohd. komt narro m. “gek” voor (nhd. narr); ook mnd. narre m. “dwaas, zot”. Men vergelijkt gew. mhd. narren, nerren, mnd. narren, nurren “knorren” (ook op ndl. gebied: Zaansch narren “grienen, aanhoudend huilen en pruttelen”). Maar wellicht is deze woordfamilie jong; zie nors. Echter maken dgl. chronologische en semantische verhoudingen bij snaxrr- (zie snorren) deze combinatie althans de overweging waard. Mogelijk is ook de combinatie met lit. nar̃sas “toorn” (*nartsas), nirstù, nirtaũ, nir̃sti “koppig worden” (waarbij nog gr. nósos “ziekte” < *nortswo-s gebracht is: zeer onzeker). Dan moet echter de t van deze balt. woordfamilie formantisch zijn. Waarschijnlijker is de combinatie met oi. narmá- “scherts, grap”, nṛ́tyati, náṭati “hij danst”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nar m., uit Hgd. narr (Mhd. narre, Ohd. narro). —Ging in ’t Skand. over: Zw. narr, De. nar. — Het staat wellicht tot Hgd. schnurre in dezelfde verhouding als neb tot sneb, mout tot smelten, enz.Hgd. schnurre behoort bij snorren; voor de ontwikkeling der bet., vergel. snaak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nar s.nw.
Grapmaker in 'n sirkus, harlekyn, hanswors.
Uit Ndl. nar (al Mnl.).
Ndl. nar, soos ook Deens nar en Sweeds narr, uit D. Narr. Aangesien die woord slegs in hierdie tale voorkom, is verwantskap met bv. Latyn naris 'neusgate', onwaarskynlik.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nar: hanswors; Ndl. (17e eeu) nar uit Hd. narr, misk. verb. m. Ll. nario, “iemand wat sy neus optrek, spotter”.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

nar (mv.: -ren, narronem, narreem, narrem), narr: dwaas, gek; vrouwelijk: narrent(e) (reductie van narrinte, gevormd door een samenvoeging van twee vrouwelijke uitgangen); (versterking:) ijzeren nar (o.i.v. ijzeren hein), versjwartster nar: dubbelovergehaalde gek | < Jidd. < Mhd. narre, mogelijk ontleend aan Me.Lat. nar(r)ire: (be)spotten, van nares: neus(gaten). ■ Eén nar heeft één teim: een dwaas heeft altijd een stokpaardje.
Eén nar maakt meer narren: dwaasheid is aanstekelijk.
Geen nar die het moet, een nar die het doet: wees niet te toegeeflijk.
Voor een nar zal God sjoumer zijn: de Heer behoede ons voor een dwaas.

— Je etensuur verzetten en ’s nachts niet slapen! Grote nar! (HERMAN HEIJERMANS, 1899)
— “Narrent! Wat proat ie nou veur onzins?” verwierp vrouw Zadoks met ellebooggebaar, “ie bin mal, meid...” (SAM. GOUDSMIT, 1907)
— Doch je dat die sjtinkende ziejenisse me van de buurt krijge?! Dat ‘k al me klante in de steek la, waar ‘k zoveule jare bekend ben, omdat die versjwarsternarrem naar... hoe hie stad diender?... naar-e, o-ja, Pallestine wille? (K. DE WIND, CA.1908)
— Hij had met zijn mond vol tanden gestaan, elkeen had wat bij te dragen gehad, een liedje of een voordracht, hij alleen niet en hij kon ook niet lachen -, voelde niets dan schuwheid, tegenzin met toch ook een vage bewondering voor de welbespraaktheid en de durf van de anderen -, zodat die anderen hem een ‘ongijn’ vonden, slechts in ’t midden latend of hij een ‘gammer’ was dan wel een ‘verschwartste nar’. (CARRY VAN BRUGGEN, 1914)
— Nou ken uwes denke: die dokters binnen altegaar versjwartste narre, de ane mit de andere. (F. BORDEWIJK, 1923)

Zie ook gammer, mesjoggene, nieresj, pettig, sjoute

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nar (Duits Narr)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

nar dwaas, gek; een beiser nar, een kwade gek; nhd. Narr.

narronem gekken, dwazen; met hebr. uitgang gevormd van nhd. Narr, naar analogie van chazzen, chazzonem, lamden lamdonem enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nar ‘zot’ -> Zweeds narr ‘zot’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins narri ‘zot’ <via Zweeds>; Frans dialect aar (mv.) ‘dwaze ideeën, grillen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nar zot 1432-1468 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal