Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nader - (dichterbij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nader bn. ‘dichterbij’
Mnl. narre ‘dichterbij’ [1240; Bern.], meestal naerre ‘id.’, zoals in eer gi mi naerre comet ‘voor u dichter bij me komt’ [1265-70; CG II], dan ook naerder ‘id.’ in dit plaester ... sal die zenewen doen vergadren naerder dan enech ander plaester ‘deze pleister zal de pezen dichter bijeenbrengen (beter doen hechten) dan enig andere pleister’ [1351; MNW-P]; vnnl. naeder oft naer ‘dichterbij’ [1573; Thes.], naeder, naerder ‘id.’ [1599; Kil.].
Mnl. naerre is de vergrotende trap van → naar 1 in de Middelnederlandse betekenis ‘dichtbij’. Toen deze vorm niet meer als comparatief herkenbaar was, is men een nieuwe gaan vormen uit naer plus de regelmatige uitgang /-ər/, die in het Nederlands na -r- altijd een -d- vereist, zoals ook bijv. in zwaarder bij zwaar. Zo ontstond naarder. Wrsch. is nader naast naerder ontstaan naar analogie van na naast naer.
naderen ww. ‘dichterbij komen’. Mnl. naerderen ‘id.’ [1483; MNW]; vnnl. naederen [1599; Kil.]. Afleiding van nader.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

na II bijw. Het gebruik als bnw. in een naê verwant e. dgl. heeft zich uit het adverbiale gebruik ontwikkeld naar analogie van andere woorden, die zoowel attributief bnw. als predicativum bij zijn zijn. Uit mnl. “nabij, nauwkeurig, bijna”, zelden als bnw. “na, nabijzijnd”. = ohd. os. nâh, ags. nêah (eng. nigh), on. nâ- (in samenst.), got. nehw “nabij”. Met anderen uitgang: onfr. nâio “pene”, ohd. nâho, ofri. nei, “nabij”. Van het bnw. ohd. os. nâh, ags. nêah (eng. nigh), on. nâr, got. nehws “nabijzijnd”. Oorsprong onzeker. Eenige van de voorgeslagen combinaties zijn: 1. die met lit. nókti “inhalen, bereiken, rijpen”; 2. die met pehl. naχ “de eerste”; 3. die met oi. náçati “hij bereikt, verkrijgt” (*neḱ-wo-; vgl. genoeg); 4. die met alb. nes “morgen”. Mnl. naer, nnl. naar = ohd. nâhór, os. nâhor, ofri. niâr, ags. nêar (eng. near) “naderbij”, waarnaast got. nehwis, on. næ̂r “id.”. De superlatief luidt mndl. naest (nnl. naast), ohd. nâhôst, nâhist (nhd. nächst), os. nâhist, ofri. nêst, ags. nîehst (eng. next), on. næ̂str “naast” (bnw.). Ndl. nader, reeds laat-mnl., is een jongere analogievorm. Mnl. naerre “nader” (bnw. en bijw.) = mnd. nârre, ags. nêarra, on. nœ̂rri; gevormd evenals meerder.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nader bijv., uit ouder naarder: nieuwe compar. van naar: vergel. meerder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1nader b.nw.
1. Digterby. 2. Deegliker, noukeuriger.
Uit Ndl. nader (al Mnl.). Ndl. nader uit naarder, as vergrotende trap van naar (Boshoff - Nienaber 1967), of uit na en -er met invoeging van d (WNT). Ndl. na bestaan naas naar, en Ndl. nader is dus gevorm na analogie van naarder.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nader: digterby; ontst. uit dubbele komp. naarder uit narer (Mnl. naerre) uit komp. naar v. na I; hierby (sedert Kil) ww. naderen, Afr. nader en afl. benadering.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een bijvoeglijk naamwoord o.i.v. het Frans]
Nader. – In het Fransch zegt men: faire plus ample connaissanc avec quelquʼun, waaraan in het Nederlandsch beantwoordt nader kennis maken met iemand, en daarbij is nader een bijwoord, waardoor de geheele werkwoordelijke uitdrukking kennis maken bepaald wordt. Het Fransche spraakgebruik, volgens hetwelk bij connaissance een adnominaal woord vereischt wordt: faire la connaissance de quelquʼun, faire sa connaissance, en dus ook faire plus ample connaissance, wordt soms door Zuidnederlandsche schrijvers nagevolgd, zoodat ze schrijven nadere kennis maken met iemand, met een bijvoeglijk naamwoord nader behoorende bij kennis, in plaats van een bijwoord nader behoorende bij kennis maken. || Maken wij gebruik van den tijd aan het karig avondmaal van het kleine gezin besteed, om met dit laatste nadere kennis te maken, BULTYNCK, Vl. Beeld. 63.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nader ‘dichtbij’ -> Negerhollands nader ‘dichtbij’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal