Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nabootsen - (nadoen, namaken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nabootsen ww. ‘nadoen, namaken’
Vnnl. nabootsen ‘namaken’ in cryons ..., waer mede de ghedaenten der natueren men nae bootsen can ‘tekenstiften, waarmee men beelden van de werkelijkheid kan namaken’ [1618; WNT].
Gevormd uit → na en het werkwoord vnnl. bootsen ‘modelleren, vormen’ [ca. 1600; WNT], dat is ontleend aan Oudpicardisch bocer ‘vormen; een kunstwerk in reliëf maken’ (waaruit Nieuwfrans bosseler), een afleiding van het zn. boce ‘bult, knop’, zie → boetseren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bootsen [modelleren] {(samen)boittzen [rond maken] 1477} < oudfrans bocer (frans bosseler) van frans boce, tegenwoordig bosse [oorspr. slag, (daardoor ontstane) bult, reliëfwerk], uit het germ.: oudengels beatan, oudhoogduits bōzzan, oudnoors bauta [slaan]; een jongere ontlening aan hetzelfde woord is boetseren.

nabootsen [nadoen] {1617} van na + bootsen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bootsen ww., vooral nabootsen < fra. bocer, nfra. bosseler afgeleid van bosse ‘buil’, dat uit frank. < *bōtja ‘spruit’ ontstaan is (Gamillscheg 123). De oorspr. betekenis is ‘een kunstwerk in relief maken’. Een tweede ontlening is boetseren (bij Kiliaen, die het vlaams en hollands noemt), oudnl. bootseren, nhd. bossieren. De vormen met ts wijzen op een overname uit een noordfrans dialect.

bootsen ww., vooral nabootsen < fra. bocer, nfra. bosseler afgeleid van bosse ‘buil’, dat uit frank. < *bōtja ‘spruit’ ontstaan is (Gamillscheg 123). De oorspr. betekenis is ‘een kunstwerk in relief maken’. Een tweede ontlening is boetseren (bij Kiliaen, die het vlaams en hollands noemt), oudnl. bootseren, nhd. bossieren. De vormen met ts wijzen op een overname uit een noordfrans dialect.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bootsen ww., vooral in de samenst. nabootsen. Sedert den Teuth.: samenboittzen, hoipen, ront maken “conglobare”. Uit ofr. bocer (nu gew. bosseler) “verheven beeldwerk maken”. Denzelfden oorsprong heeft boetseren, oudnnl. ook bootseeren (o.a. bij Kil., die ʼt woord “Fland. Holl.” noemt), nhd. bossieren. Ofr. bocer komt van boce “bult, verhevenheid”, waarop ook mnl. oudnnl. bootse “id.” (vgl. nog poets) teruggaat en dat ook reeds vroeg in de rom. talen (wsch. het eerst it. bozza) van verheven beeldhouwwerk gebruikt werd. De rom. woorden leidt men van ohd. bôӡan “slaan” af. Zie bij bot II.

nabootsen ww., sedert de 16.eeuw. Zie bootsen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bootsen. De afl. van fr. boce is onbekend. Desnoods zou men het kunnen herleiden op een germ. woord (met -tj-) uit de groep van bot II, maar in ieder geval niet op ohd. bôʒan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bootsen o.w., voor boetsen, van Fr. bocher, gelijk koets van coche; dit bocher van Ofra. boche, bijvorm van bosse = buil, verheven beeldwerk, uit het Ohd. bôʒan = slaan (z. aanbeeld).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naboots ww.
Namaak, navolg.
Uit Ndl. nabootsen (1569), 'n samestelling van na en bootsen, met lg. 'n afleiding van boots 'beeld, figuur'.
Ndl. boots uit Fr. boche, boce 'verhewe beeldhouwerk'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bootsen (Picardisch bocer)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bootsen (nabootsen, boetseeren), van ’t Fr. boche (en dit voor boce, spr. bootse) in de bet. van bult, verhevenheid; inzonderheid: verheven drijfwerk op steenen vervaardigd (de figuren zijn dus niet in den steen gebeiteld, maar er op, zooals de letters op een caoutchouc-stempel). Hieruit ontwikkelde zich de bet. van beeldwerk-maken, zoodat boots bij ons eerst beteekende beeld („een sittende bootse”), daarna: model in klei, op papier, enz. om er een beeld of figuur naar te vormen. Verder is het verwant met poets, pots: een grap, oorspr. de naam voor de koddige figuren, die men in de middeleeuwen tot het opsieren van kunstwerken gebruikte: „Luyden die ons met haar koddige bootsen vermaken”, zegt Vondel nog.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nabootsen nadoen 1617 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal