Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naast - (dichtstbij); (aan de zijde van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

naast bn. ‘dichtstbij’; vz. ‘aan de zijde van’
Mnl. naest als bn. ‘dichtstbij, eerstvolgend’ in ten nasten capitele ‘op de eerstvolgende kapittelvergadering’ [1236; VMNW], den nasten eruename ‘de nauwst verwante erfgenaam’ [1254; VMNW], jn naeste stic lants ‘in het dichtstbij gelegen stuk land’ [1274; VMNW]; daarnaast als vz. ‘op’ in nast haren hud ‘op hun huid’ [1236; VMNW], ‘aan de zijde van’ in naest ere hofsteden ‘naast een hofstede’ [1273; VMNW], ‘in tijd volgend op’ in saterdaghes naest sinte Nicholaus daghe ‘op de zaterdag onmiddellijk na Sint-Nicolaasdag’ [1268; CG I], ‘samen met’ in desen tsens salmen ghilden naest .ix. s. ende i1/2 hoen ‘deze belasting moet men betalen samen met 9 schelling en anderhalve kip’ [1295; VMNW].
Os. nāhist (mnd. nēgest, neyst, nā(g)est, nāst); ohd. nāhist (nhd. nächst); ofri. nāst; oe. nīehst, nēst (ne. next); on. næstr (nzw. näst ‘op een na’, nästa ‘volgende’); < pgm. *nēhwista-, overtreffende trap van *nēhwa-, zie → na.
In de temporele betekenis ‘eerstvolgend’ is het woord alleen BN, bijv. naaste week ‘volgende week’, tot de naaste keer ‘tot de volgende keer’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naast* [dichtbij, terzijde van] {naest 1285 als bijw., als voorzetsel 1350} oorspr. de overtreffende trap van na.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naast bnw., mnl. naest, os. nāhist, ohd. nāhōst, nāhist (nhd. nächst), ofri. nēst, oe. nīehst (ne. next), on. nœ̄str uit germ. *nēhwōsta, nēhwista, superl. van na 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naast. Zie na II. Reeds mnl. ook voorz. Afl.: naasten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

naast bijv., Mnl. naest, Os. nâhist + Ohd. id., Ags. níehst (Eng. next): superl. van na 1. Hiervan naasten, eig. zich als naasten rechthebbende doen gelden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neve (vz.) naast; Vreugmiddelnederlands neven <1267>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naas voors.
1. Langs. 2. Behalwe, direk volgende op.
Uit Ndl. naast (al Mnl.). Ndl. naast is ook 'n bw., en was oorspr. die oortreffende trap van na 'naby'.

2naaste b.nw.
1. Wat die kortste afstand is of wat digsteby geleë is. 2. Wat die intiemste in 'n verhouding staan met iemand.
Uit Ndl. naaste, die verboë vorm van naast (al Mnl.), en oorspr. die oortreffende trap van na 'naby'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

naast bw., ernaast; naastbijgelegen; van de buren. Naast stonden de buren al op de stoep (C. Ooft 52). Julie en Maaike kijken bij het hek van hun erf* naar Thea naast die met een klein hondje speelt (Mala 9). Een ex-vriend op het stoeltje naast [d.i. naast het stoeltje van betrokkene] (Cairo 1976: 102). - Zie ook: allernaast*.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Naaste, lid van dezelfde leefgemeenschap (familie, woonplaats, volk, etc.); medemens.

Een naaste is iemand die tot dezelfde familie of hetzelfde volk behoort; vergelijk Exodus 2:13, 'Toen hij op een andere dag uitging, zie, daar waren twee Hebreeuwse mannen aan het vechten, en hij zeide tot de schuldige: Waarom slaat gij uw naaste?' (NBG-vertaling). De betekenis is uitgebreid tot het meer algemene 'medemens'.

Rijmbijbel (1271), v. 4615-17 (Exodus 20). DV ne soud in gherre stonde. Luden ne ghene valsce orconde. Jeghen dinen naesten. (Je mag nooit een valse getuigenis afleggen over je naaste.)
Liesveldtbijbel (1526), Exodus 2:13. Waer om slaedi uwen naesten?
De gezondheidszorg wordt steeds complexer. Steeds vaker doemen (ethische) vragen op, die voor patiënten of hun naasten moeilijk te beantwoorden zijn. (Meppeler Courant, nov. 1994)
'Dieren zijn ook naasten,' zei ik koppig, 'en er staat in de bijbel: Gij zult niet doodslaan.' (M. $t Hart, Het vrome volk, 1985 (1974), p. 21)

Heb uw naaste lief als uzelf, houd van je medemens, behandel je medemens goed.
Naastenliefde, het houden van, goed behandelen van de medemens, een van de belangrijkste christelijke deugden.

De opdracht om je naaste lief te hebben als jezelf stamt onder meer uit Leviticus 19:17-18, 'Wees niet haatdragend. [...] Heb je naaste lief als jezelf' (NBV). Naar dit gebod wordt verwezen in Matteüs 5:43, 'Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: "Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten"' (NBV). In het hedendaags Nederlands wordt soms creatief met deze uitdrukking omgegaan, zoals uit het volgende citaat blijkt: '`Heb uw afnemers lief', luidt het motto van Blom [bestuursvoorzitter van Apothekers Coöperatie OPG], die de apotheker van meer diensten wil gaan voorzien' (NRC, 10-9-1998, p. 20).
De samenstelling naastenliefde gaat op dezelfde bijbelplaatsen terug.

Liesveldtbijbel (1526), Leviticus 19:18. Ghi sult uwen naesten liefhebben gelijc v seluen. (Statenvertaling (1637): als i.p.v. gelijc.)
'Hebt uw naaste lief,' zei De Gier. 'Ben jij religieus?' 'Nee.' 'Waarom preek je dan tegen me?' De Gier raakte Cardozo voorzichtig aan. 'Ik preek niet. Hebt uw naaste lief. Dat is zo. Ik had het net zo goed niet kunnen zeggen. Ik kan ook zeggen dat we op straat staan. We staan op straat, dat is zo.' (J. van de Wetering, De dood van een marktkoopman, 1989 (1977), p. 162)
Voor christen-democraten is de wenselijke maatschappelijke ordening niet afgeleid van een volstrekte individuele vrijheid tot zelfbestemming, waarbij alleen rekening moet worden naaste liefhebben en respect voor natuur betonen: voorwaarde voor ontplooiing gehouden met de vrijheid van andere individuen, maar van een mensbeeld waarbij personen zich optimaal ontplooien als zij hun naaste liefhebben als zichzelf en de natuur respecteren als de door God gegeven schepping. (Liberaal Reveil, 1995, nr. 1)
Hij ging weer bladeren in de boeken die nog op tafel lagen. Over naastenliefde gesproken. De vijand van het ik is de abstractie 'Mens', las hij in z$n Stirner. (F.B. Hotz, Het werk, 1997 (Op een eiland, 1980), dl. 1, p. 631)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naast ‘dichtstbij zijnde’ -> Negerhollands naaste ‘dichtstbij zijnde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naast* bijwoord van plaats 1285 [CG Rijmb.]

naast* voorzetsel 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

enek̑-, nek̑-, enk̑-, n̥k̑- ‘reichen, erreichen, erlangen’ und (nur Gr. Bsl.) ‘tragen’, onk̑o-s ‘Tracht, Anteil’

Ai. aśnṓti, av. ašnaoiti (*n̥k̑-neu-) ‘gelangt hin zu etwas, erreicht’, Perf. ai. ānáṃśa (idg. *ōn-onk̑e = air. ro-ānaic);
ai. náśati, av. -nasaiti (*nek̑-, ursprüngl. wohl athematisch, vgl. 2. Sg. nakṣi usw.), ai. nákṣati ‘erreicht, erlangt’, Desid. ánakṣati ‘sucht zu erreichen, strebt zu’, áṃśa-ḥ m. ‘Anteil’, av. ąsa- ‘Partei’, ai. náṃśa-ḥ m. ‘Erlangung’, -naṁśana- (Kreuzung von aṁś- und naś-);
arm. hasi ‘bin angekommen’, danach hasanem ‘komme zu etwas, komme an’; nach Pisani Armen. 5 hierher hunj-k’, hnjo-c̣ ‘Ernte’ (*onk̑os);
gr. (*ēnek̑-) δι-ηνεκής ‘durch eine Strecke hindurchreichend = ununterbrochen’ (dor. und att. διᾱνεκής aus *δια-ηνεκής?, anders Boisacq s. v.), ποδ-ηνεκής ‘bis zu den Füßen herabreichend’, δουρ-ηνεκής ‘einen Speerwurf weit’ = ‘so weit man mit einem geschleuderten Speere reicht’ oder pass. ‘vom Speer erreicht’, wie κεντρ-ηνεκής ‘vom Stachel (erreicht =) angetrieben’; Pass. Aor. ἠνέχθην ‘wurde getragen’, Perf. κατ-ήνοκα Hes., ἐν-ήνοχα (ἐν- ist darin wohl Reduplikation; ebenso im Med. ἐν-ήνεγμαι, zu dem sich als 3. Sg. ἐν-ήνεγκται statt *ἐν-ήνεκται gesellte, nach dem Aor. ἐνεγκεῖν);
*enk̑- im red. Aor. ἐν-εγκ-εῖν (*enk̑-enk̑-) ‘tragen’; s. unten hitt. ḫenkzi;
*onk̑- in ὄγκος ‘Tracht, Last’ (= ai. áṃśa-ḥ, bsl. *naša-);
ἤνεικα dagegen zur Wz. *seik- ‘langen’, s. dort und Boisacq 251 f. m. Lit.; durch Kreuzung mit ihm wurde ἤνεγκον zu ἤνεγκα, ἤνειγκα;
lat. nactus (und nanctus) sum, nancisci (arch. auch nanciō, -īre) ‘erlangen’ (-a- = e, sodaß nactus = germ. *nuh-ta-; die Nasalierung des Präs. ist wohl sekundär (Kuiper Nasalpräs. 163);
air. ro-icc ‘erreicht’, do-icc ‘kommt’, air-icc- ‘finden’, con-icc- ‘können’ usw.; wohl in die themat. Konjugation übergeführtes dehnstufiges *ēnk̑-ti, woraus *īnk-, *ĭnc-, icc-; Verbalnomina rīchtu, tīchtu; s-Konj. aus *ēnk̑st; Perf. ro-ānaic (s. oben); s-Prät. du-uicc (*onk̑-i-s-t) ‘hat gebracht’ usw. s. unten S. 347; Schwundstufe n̥k̑- in cymr. di-anc ‘entfliehen’, cyfranc (*kom-ro-anko-) = air. comracc ‘Zusammentreffen’; nach Loth RC 40, 353 ir. oc, cymr. wnc, wng ‘bei’ aus *onk̑o- ‘Nachbarschaft’?; dazu mcymr. ech-wng ‘Vertreibung’; nach Vendryes (MSL 13, 394) hierher auch der gall. VN *Selva-nectes (latinis. Silvanectes) ‘qui ont obtenu proprieté’, zu air. selb ‘Besitz’;
got. ganah (Prät.-Präs.) ‘es reicht = genügt’, Inf. ganaúhan (über germ. *nuh- s. oben), ahd. ginah, ags. geneah ds.; got. *binaúhan ‘erlaubt sein’, got. ganaúha m., ahd. (usw.) ginuht f. ‘Genüge’; ō-stufig: got. ganōhs ‘genug, viel’, ags. genōh, genōg, anord. (g)nōgr, ahd. ginuog ‘genug’ usw.; ē-stufig, wie es scheint, anord. ‘nahekommen, erreichen, bekommen’, ags. (ge)nǣgan ‘sich jemandem nähern, anreden, angreifen’;
über got. nēƕ Adv. ‘nahe, nahe an’, nēƕa ds., as. nāh, ags. nēah ‘nah’, Präp. ‘nahebei’, ahd. nāh Adj. ‘nahe’, Adv.-Präp. ‘nahe’, nhd. nach s. oben S. 40; man stellt auch alb. nes, nes-ër ‘Morgen’ (*nōk̑-) dazu, ebenso lett. nãku, nãki ‘kommen’, lit. pranókti ‘überholen’, nókti ‘reifen’, die aber idg. ā voraussetzen; vgl. Mühlenbach-Endzelin, Lett.-D. Wb. II 698;
über das von Jokl SBWienAk. 168, I 36 mit pranókti verglichene alb. kë-nak ‘befriedigen, vergnügen’ s. denselben IA. 35, 36;
bsl. *nešō ‘trage’ (vgl. ai. naśati) in:
lit. nešù, nešiaũ, nèšti; lett. nesu, nešu, nest; dazu Iterativum lett. nẽsât, lit. nė̃šiai = lett. nēši m. Pl. ‘Tracht Wasser’, lit. naštà, lett. nasta f. ‘Last’;
aksl. nesǫ, nesti, Iterativum nositi usw.;
bsl. *naša- m. ‘das Tragen, der Träger’ (= ai. aṁśa-ḥ, gr. ὄχκος) in:
lit. už-našai Pl. ‘ausgeschenktes Bier’, dehnstufig są́-nošai m. Pl. ‘angeschwemmtes Geröll’;
ksl. pο-nosъ ‘Neid’, russ. za-nós ‘Schneegestöber’, usw.;
hitt. *nenék̑-ti, Pl. *nenk̑-énti, daraus ni-ik-zi (nikzi) ‘erhebt sich’, 3. Pl. und ni-in-kán-zi, ni-ni-ik-zi (ninikzi) ‘hebt’, 3. Pl. ni-ni-(in-)kán-zi (Pedersen Hitt. 147);
ḫi-in-ik-zi (ḫenkzi) ‘teilt zu’ stellt sich zu ἤνεγκον; über na-ak-ki-iš (nakīs) ‘schwer’, s. Pedersen Hitt. 147, 194;
über toch. A eṃts-, В eṅk- ‘nehmen, fassen’, s. Meillet MSL 18, 28, Pedersen Tochar. 236 und Anm. 1;
Kuiper Nasalpräs. 50 f. zerlegt en-ek̑- ‘tragen’, das er als Erweiterung von en- (s. S. 321 unter enos-) ds. auffaßt; ebenda weitere Vermutungen über en-ek̑- ‘erreichen’.

WP. 1 128 f., Kuiper Nasalpräs. 50 f., EM2 652, Trautmann 198, Schwyzer Gr. Gr. 647, 744, 766.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal