Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naar - (akelig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

naar 2 bn. ‘akelig, weerzinwekkend’
Onl. *naro (verbogen vorm narw-) ‘nauw’ in de plaatsnaam Naruthi ‘Naarden (Noord-Holland)’ [10e eeuw; Künzel]; mnl. naer in slechts twee geïsoleerde en indirecte attestaties: benaren ‘in het nauw brengen’, zie → benard, en die naerriekenste beeste ... in die weerelt ‘het onaangenaamst riekende dier ter wereld’ [1350-1400; MNW]; vnnl. naer ‘beangstigend’ [1599; Kil.], naere duisterheit ‘beangstigend duister’ [ca. 1603; WNT hechten].
Os. naru; nfri. near; oe. nearu (ne. narrow); alle ‘smal, nauw, eng’, < pgm. *narwa-. Hiervan afgeleid is wrsch. het zn.nerf 1 ‘houtvezelstructuur’.
Het woord is in het Middelnederlands nog zeldzaam en is nadien vooral gebruikelijk geworden in het Noord-Nederlandse taalgebied. Daarnaast is de oorspr. betekenis ‘nauw, smal’ in het Nederlands niet geattesteerd en noemt Kilaan (1599) het woord naer Fries. Het is daarom goed mogelijk dat naar is ontleend aan het Fries of Nederduits. De betekenis ‘akelig’ kan worden vergeleken met die van → eng.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naar1* [akelig] {nare, naer [nauw, eng, akelig] 1351-1400} oudsaksisch naru, oudengels nearw (engels narrow) [nauw]; buiten het germ. lets nāre [klem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naar 1 bnw., mnl. *nāre ‘nauw’ (alleen in de afl. bynāren ‘benauwen’), os. naro, oe. nearu (ne. narrow), on. Nǫrr ‘naam voor de vader van de nacht’ (eig. het bnw. nǫrr ‘nauw, smal. (vgl. Nǫrvasund, Nørvasund ‘de straat van Gibraltar’) en vgl. verder ohd. narwa ‘litteken’ eig. ‘samentrekking van de huid over de wond’ (nhd. narbe) en nhd. nehrung ‘smalle landtong’. — lit. narỹs ‘knoest, uitwas’, narýti ‘een knoop maken’, lett. nārs, nāre ‘kram, klem’ (IEW 976). — Zie: nerf 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naar II bnw., mnl. *nāre “nauw” (bynāren”benauwen” in de Wilkeuren van Fredewold), ook “naar” (in naer-riekent). = os. naro, ags. nearu (eng. narrow) “nauw”. Hierbij ofri. nare v. “gevangenschap”. Zie benard en nerf I. Met ablaut on. nôr o. “inham met nauwen ingang”. Wellicht verwant met arm. neł “nauw”. De bet. laat de combinatie met lit. neriù, nérti “een draad insteken” (waarbij eventueel ook lat. nervus “pees, spier”) toe, zonder die echter zeer plausibel te maken. Lett. nârs, nâre “klamp” wordt wsch. terecht voor verwant gehouden: oorspr. bet. “benauwer, klemmer”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

naar 1 bijv.(akelig), Mnl. *nare, Os. naro + Ohd. subst. narwa (Mhd. narwe, Nhd. narbe) = engte, vernauwing, Ags. nearu (Eng. narrow) = nauw, Ofr. nara = druk: z. benard.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

naar, bn.: eng verwant, naast. Naar familie beantwoordt volkomen aan E. close family. De naaste familie kan zowel worden verklaard uit naarste familie als uit naaste (superlatief van na) familie. Mnl. naer, nare ‘nabij (van verwantschap)’, Oe. nearu, Os. naru, E. narrow < Germ. *narwaz- ‘eng, samengesnoerd’. Vgl. Lit. nérti ‘knopen’, narys ‘strop, strik’, Russ. nerët ‘fuik, snoer’. Idg. *sner- ‘winden, samensnoeren’, *(s)nê ‘draden samenwinden, weven, spinnen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

naar (G, W, ZO), bn.: eng verwant, naast. Nare familie beantwoordt volkomen aan E. close family. De naaste familie kan zowel worden verklaard uit naarste familie als uit naaste (superlatief van na) familie. Mnl. naer, nare 'nabij (van verwantschap)', Oe. nearu, Os. naru, E. narrow < Germ. *narwaz- 'eng, samengesnoerd'. Vgl. Lit. nérti 'knopen', narys 'strop, strik', Russ. nerët 'fuik, snoer'. Idg. *sner- 'winden, samensnoeren', *(s)nê 'draden samenwinden, weven, spinnen'. Zie ook narft.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naar b.nw.
1. Onaangenaam, sleg, onvriendelik. 2. Siek en mislik, sodat jy opgooi.
In bet. 1 uit Ndl. naar (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Die oorspr. bet. van Ndl. naar was 'nou, benoud', 'n bet. wat nog voorkom in Fries en by die verwante Eng. narrow.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1900).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

naar (K, R, DB), bn.: eng verwant, naast. Dit is geen var. of zelfs comparatief van na ‘nabij’, zoals ten onrechte werd verondersteld bij De Bo en in KW. Nare familie beantwoordt nl. volkomen aan E. close family. De naaste familie kan zowel worden verklaard uit naarste familie als uit naaste, (superl. van na) familie. Mnl. naer, nare ‘nabij (van verwantschap)’, Oe. nearu, Os. naru, E. narrow < Germ. *narwaz ‘eng, samengesnoerd’. Vgl. Lit. nérti ‘knopen’, narys strop, strik’, Russ. nerët ‘fuik, snoer’. Idg. *sner- ‘winden, samensnoeren’, *(s)nê ‘draden samenwinden, weven, spinnen’. Zie ook nerve.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

naar II: mislik, onaantreklik, siek; Ndl. naar, “aaklig, droewig, sleg” (Mnl. naer/nare/naru(w), “nou, benoud”), Kil noem naer Fri. i. bet. “lassus, languidus, debilis”, en dit sluit aan by Ndl. en Afr. gebr. waar ouer bet. nouer aansl. by Eng. narrow, “nou”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naar ‘akelig’ -> Zuid-Afrikaans-Engels naar ‘akelig’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naar* akelig 0901-1000 [Künzel]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)ner-2 ‘drehen, winden (auch von Fäden und Flechtwerk), zusammendrehen, zusammenschnüren; sich zusammenwinden, einschrumpfen’, vielleicht Erweiterung zu snē- ds.

Ai. nŕ̥tyati ‘tanzt’, nr̥tí- f. ‘Tanz, Spiel’, nr̥tú- ‘tanzend’, narma- n., narmá- m. ‘Scherz’, naríṣṭā f. ds., usw.; miran. nār- ‘fassen’(Persson Beitr. 816a 1);
gr. νάρναξ· κιβωτός Hes. (und inschriftlich), woraus dissim. λάρναξ ‘Kasten, Kiste, Gefäß’; durch Weitergreifen dieses dissim. Wandels auch *νάρκος (von der k-Erweiterung, s. unten), noch erhalten in ναρκίον· ἀσκός Hes., zu λάρκος ‘Korb’;
as. naru, ags. nearu, engl. narrow ‘eng’ (*nar-wa- eigentlich ‘zusammengeschnürt’), aisl. in Nǫrva-sund ‘Gibraltar’ (daneben Niǫrva-sund und nhd. Nehrung ‘schmale Landzunge’ aus *ner-wa-), ahd. narwa f., narwo m. ‘Narbe’ (d. i. ‘zusammengezogene Wundränder’), auch ‘ansa, fibulatura’, nhd. Narbe dial. auch ‘Klammer, Krampen an Türen’ wie norw. norve ‘Klammer, Krampe’ (und lett. nãrs, nāre ‘Klammer’);
nhd. bair. der-narren ‘starr werden, besonders vor Frost’ (‘*sich zusammenziehen, -krampfen’), narr ‘mißratene verschrumpfte Frucht’, narr (schweiz.) krampfartige Spannung’, narrennagel ‘unförmig ausgewachsener Nagel’; schwundstufig (mit s-) nhd. schnurren, ein-schnurren, -schnorren ‘zusammenschrumpfen’, isl. snurða ‘Knoten an einem Faden, bildlich vom Nasenrümpfen’;
dehnstufig aisl. nāri ‘Weichen’ (‘Einschnürung des Leibes’), mhd. nǣrlich ‘knapp, genau, jung’ und mit Abtönung aisl. Nōri ‘Zwergname’, nōr n. ‘enge Bucht, Sund’, dän. schwed. nōr ‘Knirps, ganz kleines Kind’;
wahrscheinlich ahd. snuor ‘Schnur, Band, Seil’, dän.-schwed. snōr ds., got. snōrjō ‘geflochtener Korb’, ags. snēr (*snōri̯ō) ‘Saite einer Harfe’, aisl. snø̄ri n. ‘gedrehtes Seil’;
lit. neriù, nérti ‘untertauchen, einschlüpfen, einfädeln’, nyrù, Prät. niraũ, nìrti ‘sich schlängeln, ranken’, íšnìrti ‘sich verrenken’, nãras ‘Taucher’, narỹs ‘Schlinge; Gelenk, Glied’; lett. nãrs, nāre ‘Klammer’;
russ. nerët, neretó ‘Art Fischreuse’;
hierher gehört ner-3, oben S. 766.
Erweiterungen:
sner-b- mit germ. p: norw. dial. snerpa st. V. ‘einschrumpfen, sich zusammenziehen’, ahd. (bi-, fir-) snerfan ‘den Mund zusammenziehen, die Miene verfinstern’, bair. schnurfen ‘sich einziehen, schrumpfen’ = norw. snurpa ‘fälteln, lose zusammennähen’, norw. snerp ‘Haut auf der Milch’.
sner-g-: ags. sneorcan st. V. ‘einschrumpfen’, norw. snerka, snyrkja ds., snerk(e) m. ‘dünne Haut auf der Milch’, aisl. snerkja (*snarkian) ‘zusammenziehen, runzeln’.
(s)ner-k-: Arm. nergev ‘tenuis, gracilis’ (‘*zusammengeschnürt oder eingeschrumpft’);
gr. νάρκη ‘das Erstarren, Krampf, Lähmung; Krampfrochen’, ναρκᾶν ‘erstarren’ (s. auch oben über νάρκιον, λάρκος); ahd. sner(a)han (st. V.) ‘schlingen, knüpfen, binden’, mhd. snërhen ‘knüpfen, binden, zusammenziehen’, ahd. snar(a)ha ‘Schlinge’, aisl. snara (*snarhōn) ‘schlingen, knüpfen, winden’, snara f. ‘Schlinge’ (skand. Lw. ist ags. snēare f. ‘Schlinge’), snarr ‘rasch, scharf’, mnd. snarlīken Adv. ‘schnell, bald’, ags. snierian ‘eilen’ aus *snarhian (‘schnell’ aus ‘was sich dreht, schnell wendet’).

WP. II 699 ff., WH. II 165, Trautmann 197, Vasmer 2, 213 f.

enek̑-, nek̑-, enk̑-, n̥k̑- ‘reichen, erreichen, erlangen’ und (nur Gr. Bsl.) ‘tragen’, onk̑o-s ‘Tracht, Anteil’

Ai. aśnṓti, av. ašnaoiti (*n̥k̑-neu-) ‘gelangt hin zu etwas, erreicht’, Perf. ai. ānáṃśa (idg. *ōn-onk̑e = air. ro-ānaic);
ai. náśati, av. -nasaiti (*nek̑-, ursprüngl. wohl athematisch, vgl. 2. Sg. nakṣi usw.), ai. nákṣati ‘erreicht, erlangt’, Desid. ánakṣati ‘sucht zu erreichen, strebt zu’, áṃśa-ḥ m. ‘Anteil’, av. ąsa- ‘Partei’, ai. náṃśa-ḥ m. ‘Erlangung’, -naṁśana- (Kreuzung von aṁś- und naś-);
arm. hasi ‘bin angekommen’, danach hasanem ‘komme zu etwas, komme an’; nach Pisani Armen. 5 hierher hunj-k’, hnjo-c̣ ‘Ernte’ (*onk̑os);
gr. (*ēnek̑-) δι-ηνεκής ‘durch eine Strecke hindurchreichend = ununterbrochen’ (dor. und att. διᾱνεκής aus *δια-ηνεκής?, anders Boisacq s. v.), ποδ-ηνεκής ‘bis zu den Füßen herabreichend’, δουρ-ηνεκής ‘einen Speerwurf weit’ = ‘so weit man mit einem geschleuderten Speere reicht’ oder pass. ‘vom Speer erreicht’, wie κεντρ-ηνεκής ‘vom Stachel (erreicht =) angetrieben’; Pass. Aor. ἠνέχθην ‘wurde getragen’, Perf. κατ-ήνοκα Hes., ἐν-ήνοχα (ἐν- ist darin wohl Reduplikation; ebenso im Med. ἐν-ήνεγμαι, zu dem sich als 3. Sg. ἐν-ήνεγκται statt *ἐν-ήνεκται gesellte, nach dem Aor. ἐνεγκεῖν);
*enk̑- im red. Aor. ἐν-εγκ-εῖν (*enk̑-enk̑-) ‘tragen’; s. unten hitt. ḫenkzi;
*onk̑- in ὄγκος ‘Tracht, Last’ (= ai. áṃśa-ḥ, bsl. *naša-);
ἤνεικα dagegen zur Wz. *seik- ‘langen’, s. dort und Boisacq 251 f. m. Lit.; durch Kreuzung mit ihm wurde ἤνεγκον zu ἤνεγκα, ἤνειγκα;
lat. nactus (und nanctus) sum, nancisci (arch. auch nanciō, -īre) ‘erlangen’ (-a- = e, sodaß nactus = germ. *nuh-ta-; die Nasalierung des Präs. ist wohl sekundär (Kuiper Nasalpräs. 163);
air. ro-icc ‘erreicht’, do-icc ‘kommt’, air-icc- ‘finden’, con-icc- ‘können’ usw.; wohl in die themat. Konjugation übergeführtes dehnstufiges *ēnk̑-ti, woraus *īnk-, *ĭnc-, icc-; Verbalnomina rīchtu, tīchtu; s-Konj. aus *ēnk̑st; Perf. ro-ānaic (s. oben); s-Prät. du-uicc (*onk̑-i-s-t) ‘hat gebracht’ usw. s. unten S. 347; Schwundstufe n̥k̑- in cymr. di-anc ‘entfliehen’, cyfranc (*kom-ro-anko-) = air. comracc ‘Zusammentreffen’; nach Loth RC 40, 353 ir. oc, cymr. wnc, wng ‘bei’ aus *onk̑o- ‘Nachbarschaft’?; dazu mcymr. ech-wng ‘Vertreibung’; nach Vendryes (MSL 13, 394) hierher auch der gall. VN *Selva-nectes (latinis. Silvanectes) ‘qui ont obtenu proprieté’, zu air. selb ‘Besitz’;
got. ganah (Prät.-Präs.) ‘es reicht = genügt’, Inf. ganaúhan (über germ. *nuh- s. oben), ahd. ginah, ags. geneah ds.; got. *binaúhan ‘erlaubt sein’, got. ganaúha m., ahd. (usw.) ginuht f. ‘Genüge’; ō-stufig: got. ganōhs ‘genug, viel’, ags. genōh, genōg, anord. (g)nōgr, ahd. ginuog ‘genug’ usw.; ē-stufig, wie es scheint, anord. ‘nahekommen, erreichen, bekommen’, ags. (ge)nǣgan ‘sich jemandem nähern, anreden, angreifen’;
über got. nēƕ Adv. ‘nahe, nahe an’, nēƕa ds., as. nāh, ags. nēah ‘nah’, Präp. ‘nahebei’, ahd. nāh Adj. ‘nahe’, Adv.-Präp. ‘nahe’, nhd. nach s. oben S. 40; man stellt auch alb. nes, nes-ër ‘Morgen’ (*nōk̑-) dazu, ebenso lett. nãku, nãki ‘kommen’, lit. pranókti ‘überholen’, nókti ‘reifen’, die aber idg. ā voraussetzen; vgl. Mühlenbach-Endzelin, Lett.-D. Wb. II 698;
über das von Jokl SBWienAk. 168, I 36 mit pranókti verglichene alb. kë-nak ‘befriedigen, vergnügen’ s. denselben IA. 35, 36;
bsl. *nešō ‘trage’ (vgl. ai. naśati) in:
lit. nešù, nešiaũ, nèšti; lett. nesu, nešu, nest; dazu Iterativum lett. nẽsât, lit. nė̃šiai = lett. nēši m. Pl. ‘Tracht Wasser’, lit. naštà, lett. nasta f. ‘Last’;
aksl. nesǫ, nesti, Iterativum nositi usw.;
bsl. *naša- m. ‘das Tragen, der Träger’ (= ai. aṁśa-ḥ, gr. ὄχκος) in:
lit. už-našai Pl. ‘ausgeschenktes Bier’, dehnstufig są́-nošai m. Pl. ‘angeschwemmtes Geröll’;
ksl. pο-nosъ ‘Neid’, russ. za-nós ‘Schneegestöber’, usw.;
hitt. *nenék̑-ti, Pl. *nenk̑-énti, daraus ni-ik-zi (nikzi) ‘erhebt sich’, 3. Pl. und ni-in-kán-zi, ni-ni-ik-zi (ninikzi) ‘hebt’, 3. Pl. ni-ni-(in-)kán-zi (Pedersen Hitt. 147);
ḫi-in-ik-zi (ḫenkzi) ‘teilt zu’ stellt sich zu ἤνεγκον; über na-ak-ki-iš (nakīs) ‘schwer’, s. Pedersen Hitt. 147, 194;
über toch. A eṃts-, В eṅk- ‘nehmen, fassen’, s. Meillet MSL 18, 28, Pedersen Tochar. 236 und Anm. 1;
Kuiper Nasalpräs. 50 f. zerlegt en-ek̑- ‘tragen’, das er als Erweiterung von en- (s. S. 321 unter enos-) ds. auffaßt; ebenda weitere Vermutungen über en-ek̑- ‘erreichen’.

WP. 1 128 f., Kuiper Nasalpräs. 50 f., EM2 652, Trautmann 198, Schwyzer Gr. Gr. 647, 744, 766.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal