Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naaien - (met naald en draad werken; geslachtsgemeenschap hebben, bedriegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

naaien ww. ‘met naald en draad werken; geslachtsgemeenschap hebben, bedriegen’
Mnl. naien ‘naaien, m.b.v. naald en draad samenvoegen’ [1240; Bern.], ‘geslachtsgemeenschap hebben’ in den genen die vele yoyen of nayen ‘degenen die vaak neuken’ [1485; MNW]; nnl. ‘bedriegen, ernstig benadelen’ [1984; Van Dale].
Mnd. neien; ohd. nājan (nhd. nähen); < pgm. *nējan-.
Verwant met: Latijn nēre ‘weven, spinnen’; Grieks nẽn ‘id.’; Lets snāt ‘id.’; Russisch nit' ‘draad’; Oudiers sníid ‘draaien, vlechten’, Welsh nyddu ‘id.’, Bretons nezaff ‘id.’; Armeens neard ‘vezel’; < pie. *(s)neh1-, *(s)nh1- ‘spinnen’ (IEW 973).
Uit de betekenis ‘naaien met een naald’ ontstond al in het Middelnederlands overdrachtelijk ‘geslachtsgemeenschap hebben’. Wellicht bestond deze betekenis al vóór de 15e eeuw, op grond van de toenaam (de) Naeyer, die zowel voor een kleermaker als voor een vrouwenloper kan zijn gebruikt: mnl. Jan die Naiere [1276; Debrabandere 2003]. Meer zekerheid voor deze betekenis biedt de toenaam Noedinay [1307; Beele 1975, 425] voor iemand die node (= zelden) geslachtsgemeenschap heeft. Hieruit ontstond in de 20e eeuw de betekenis ‘bedriegen’.
Lit.: Schrijver 1991, 403-404

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naaien* [met naald en draad maken] {naeyen 1201-1250} middelnederduits neien, oudhoogduits najen, nāen; buiten het germ. latijn nēre [spinnen, weven], nervus [pees (pezen werden vroeger gebruikt als naaigaren), spier, zenuw], grieks neō [ik spin], oudiers sniïd [hij bindt, spint], welsh snyddu [binder, spinner] → naald.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naaien ww., mnl. naeyen, mnd. neien, ohd. nājan (nhd. nähen). Het ww. gaat terug op idg. *nē(i)ō. De gewone vorm is echter *snē(i)ō, vgl. lat. nēō ‘ik naai’, gr. nē̃i ‘hij spint’ naast oi. snāyati ‘omwindt’, verder gr. nē̃ma ‘weefsel, draad’ = lat. nēmen ‘spinsel, weefsel’ (< *snēmen), miers snīid ‘draait, bindt’, kymr. nyddu ‘naaien’, lett. snāju ‘los ineendraaien, spinnen’, daarentegen zonder s lett. nâtns ‘spinnen’, russ. nitĭ ‘draad’. — Het germ. heeft doorgaans de s-loze vormen, maar dat die met s ook bekend waren, bewijst on. snœlda ‘klos om te spinnen’ en oe. snōd v. ‘hoofddoek’ (ne. snood), nzw. dial. snōd ‘snoer’ (IEW 973). — Zie ook: naad en naald, maar verder ook: snaar en snoer.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naaien ww., mnl. naeyen. = ohd. nâjan (nhd. nähen), mnd. neien “naaien”. Zie naad, naald. Verwant met ier. snîim “ik vlecht”, snâthe “draad”, lat. neo, gr. néō “ik spin” (anlaut sn- blijkens énnē “nebat”), oruss. nitĭ “draad”, lit. nýtis “weverskam” (ablaut-vorm van de verlengde basis (s)nê-i-), lett. snât “los samen draaien”, arm, neard “vezel”, oi. snâyati “hij omwindt, bekleedt”. De basisvorm snê- is ouder dan nê-. Voor verwante vormen zie nog snaar en snoer. De oorspr. bet. van de basis was wsch. “met draden e. dgl. werken”, dan “vlechten, winden”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

naaien o.w., Mnl. naeien + Ohd. nâjan (Mhd. næ̂jen, Mhd. nähen) + Gr. néein, Lat. nere = spinnen: Idg. wrt. met bijvorm snē: z. snoer. Binnen de Germ. talen komt het w. alleen voor in ’t Germ. van ’t vasteland. maar het was vroeger verder verspreid, zooals blijkt uit naald.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nejje (ww.) naaien; Vreugmiddelnederlands naien <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naai ww.
1. (verouderend) Met naald en garing werk. 2. (vulgêr) Ook nai. Geslagsgemeenskap hê.
Uit Ndl. naaien (Mnl. naeyen). Ndl. naaien hou oorspr. met naald verband.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

naai: 1. “met naald (naaimasjien) en draad werk; 2. koïtus verrig”; Ndl. naaien (Mnl. naeyen), Hd. nähen, hou verb. m. naald en naat, verderop m. Lat. neo en Gr. neō, “spin”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Naad, afl. van naaien, letterlijk: het genaaide; vgl. draad van draaien, gloed van gloeien, enz. – Naaien zelf komt van den Germ. wt. ne = naaien en ’t Idg. ne (bijvorm sne) = spinnen. – Ook naald is een afl. van naaien; ’t is eig. een metathesis van nadel: werktuig om te naaien. (Vgl. Hgd. Nadel = naald.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naaien ‘met naald en draad maken’ -> Deens naje ‘(scheepvaart) bevestigen, verbinden’; Noors neie ‘tijdelijk vastmaken’; Noors naie ‘vlug vasthechten of vastsjorren’; Zweeds naja ‘vastmaken met garen of dun metaaldraad’; Negerhollands naai, naej, nāi ‘met naald en draad maken’; Sranantongo nai ‘met naald en draad maken’; Saramakkaans nái ‘met naald en draad maken’.

naaien ‘geslachtsgemeenschap hebben’ -> Sranantongo nai ‘geslachtsgemeenschap hebben’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naaien* met naald en draad maken 1240 [Bern.]

naaien* geslachtsgemeenschap hebben 1485 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1566. Aan iets geen mouw(en) weten te passen (of te naaien),

d.w.z. iets niet weten te helpen, klaar te spelen; er geen kop aan weten te klinken of te krijgenZie Schoolblad XLIII, k. 1236: Je snapt wel, dat dit niet zoo openlijk in den gemeenteraad gezegd werd, maar onder het motto: verandering van arbeidsvoorwaarden, heeft men er een kop aan weten te klinken; De Telegraaf, 8 Dec. 1914 (ochtendbl.) p. 2 k. 2; Aan het heen-en-weer gesjouw van de Duitschers is geen kop te krijgen (geen touw aan vast te knoopen).; geen raad voor of met iets weten, geen middel weten om iets in orde te brengen, iets niet weten te plooien; eig. gezgd van een kleermaker of eene naaister, die geen kans ziet een mouw aan het een of ander lijf te passen, en dateerend uit den tijd, dat men losse mouwen droegZie Weinhold. D. Deutsche Frauen, 430; Schultz, Höf. Leben I, 253. (zie no. 1568). Syn. was aan iets geen ooren weten te naaien of geen touw weten vast te knoopen. In de 16de eeuw vinden we de uitdr. bij Marnix, Byenc. 72 r: Al is 't dat sy aen desen klaren Text geene mouwen en weten te setten; zoo ook 76 v; Elckerlijc, 123: Ic en sier gheen mouwen toe gesedt; Coster, 37 vs. 790: 'k Weet by get niet hoe 'k hier best mouwen an sel lassen; De Brune, Emblemata, 262: Het verloop van zijn spel, daer hy noch mouwe, noch lap en weet aen te zetten; Winschooten, 99: Ick sal dat Varken wel wassen, ik weet daar wel mouwen aan te setten; Huygens VIII, 9; Coster, 202, 1574: Daer toe weet ick gien raet, daer weet ick gien mouwen an te setten; Pers, 525 b; 732 a; Tuinman I, 126; Sewel, 500; Halma, 362: Ik weet 'er geen mouwen aan te zetten, je n'y sai point de remède, je ne sai comment m'y prendre, je ne sai quelle pièce y coudre; W. Leevend VII, 118; Ndl. Wdb. IX, 1185; XII, 1022; Villiers, 83; Nkr. III, 26 Sept. p. 5: Aan Karnebeek's bezwaren had ik met zwier een mouw gepast. In het Westvl. ergens geen mouwen aan vinden, geene mogelijkheid zien van het te verrichten (De Bo, 716 a); Limb. niet weten hoe 't aan 't stuk staat ('t Daghet XII, 191); Land v. Waas: hij weet aan alles een mouw te passen, weet zich goed te verantwoorden, weet tegen alles middel; hd. da weisz ick keinen Aermel anzusetzen (Wander I, 137).

1589. Zijn naad (of naadje) naaien.

Eene dial. uitdr. voor zijn gang gaan, zonder veel vertoon (of gerucht) zijne zaken drijven; ook: weten vooruit te komen, zijn voordeel doen; zijn grutjes kloppen; syn. van het sedert de 16de eeuw bekende zijn tuil tuilen, waarnaast ook iemand zijn tuil laten uittuilen, iemand aan zijn lot overlaten (De Vries, 101Vgl. mnl. tulen, slempen, brassen; fri. tûlje, spelen, dartelen; tûle, scherts, boert, pret; syn tûltsjes uttûlje, zijne dwaasheid maar botvieren; zie Tijdschrift XLI, 203. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 834; Antw. Idiot. 2096: iemand zijnen tuil laten uittuilen.); iemand zijnen tuil laten gaan of volgen (Hoeuft, 613). Het was vroeger een zeer gewone uitdr., die o.a. wordt aangetroffen in Servilius, 15*: Hy naeyt vaste sinen naet; Van Vloten's Geschiedzangen I, 239; Huygens V, 59 (vs. 306); De Brune, 458: Hy naeyt daar wel zijn naeytjen onder; Winschooten, 160: Sijn naadje naajen, het welk oneigendlijk beteekend, sijn voordeel zoeken; Halma, 365: Zijnen naad of zijn naadje naaijen, zijnen gang gaan, zijn voordeel stil zoeken, aller son train sans rien dire, ne se point détourner, faire ses affaires à petit bruit; Harreb. III, 301 a; Ndl. Wdb. IX, 1339; N. Taalgids XIV, 255; De Vries, 85; Staring, De Zitbank, vs. 7. Vgl. voor Zuid-Nederland De Bo, 726 a: Laat elk zijn naad naaien, bemoei u niet met andermans zoeken; een naadje ten einde naaien, een werk voltrekken dat begonnen is.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)nē- und (s)nēi- ‘Fäden zusammendrehen, mit dem Faden hantieren’, daher ‘weben, spinnen’ und ‘nähen’, (vielleicht aus dem Präs. snē-i̯ō; oder umgekehrt snē- aus snēi-?); vgl. die verwandten Wurzeln snep-, snēu-, sneu-, (s)ner-, auch nētr- ‘Natter’; s. auch 1. ned- S. 758 f., snē-mn̥ ‘Gespinst’, snē-ti-s ‘das Spinnen’; snō-to- ‘Faden’

Ai. (unbel.) snāyati ‘umwindet, bekleidet’, snā́yu, snāyu- f., n. ‘Band, Sehne’ (dazu wohl nīví-, nīvī- ‘umgebundenes Tuch, Schurz’);
gr. νῃ̃ ‘spinnt’ (*σνήι̯ει; ἔννη ‘nebat’, ἐύννητος ‘gut gesponnen’ erweisen Anl. sn-), Fut. νήσω; νήθω ‘spinne’, νῆμα ‘Gespinst, Faden’ (= lat. nēmen), νῆσις ‘das Spinnen’ (: ahd. nāt ‘Naht’), νῆτρον ‘Rocken’; νώμενος, νῶντα Gramm. wohl aus *νη-όμενος, *νήοντα;
lat. neō, nēre (*snē-i̯ō) ‘spinnen’, nēmen ‘Gespinst, Gewebe’, nētus ds.;
mir. snīid ‘dreht; bindet, quält, müht sich ab’; cymr. nyddu ‘nēre’, corn. nethe, mbret. nezaff ds. (*sn(i)i̯ō); mir. snīm m. ‘das Spinnen, Drehen; Kummer’; Abtönung snō- in air. snāth(e) ‘Faden’, bret. neud ds.; (aber cymr. ysnoden ‘lace, band’, corn. snod ‘vitta’ aus engl. snood ‘Haarband’); air. snāthat ‘Nadel’, cymr. nodwydd ‘acus, acicula’, acorn. notuid, mbret. nadoez ‘Nadel’;
ahd. nāu ‘nähe’ (= lat. neō, gr. νῃ̃, ai. snāyati, doch ohne s-), nāt ‘Naht’; got. nēþla, aisl. nāl, ahd. nādala, ags. nǣdl f. ‘Nadel’ (aisl. snǣlda ‘Handspindel’, wohl umgestellt aus *snǣð[i]la); *snō- in agutn. snōþ, nschwed. snod(d) ‘Schnur’, ags. snōd f. ‘Kopfbinde’ (: air. snāth, lett. snāte);
lett. snāju, snāt ‘locker zusammendrehen, spinnen’, snāte, snāne, snãt(e)ne f. ‘leinene Decke’; s-los: nâtns ‘leinen, zwirnen’, nât(e)ne = snãt(e)ne; *nī- als Schwundstufe zu *nēi- (s. o. ai. nīví-) in lit. nýtis ‘Hevelte oder Weberkamm’, lett. nīts ‘Teil des Webstuhls’, aksl. *nitь ‘Faden, Strick’, russ. nítь ‘Faden’, skr. nȉti ‘Webertrumm’.

WP. II 694 f., WH. II 159 f., Trautmann 199, 272, Vasmer 2, 221.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal