Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muur - (Stellaria media)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

muur 2 zn. ‘kruidachtige plant (geslacht Stellaria)’
Onl. misschien al in toponiemen, bijv. Merehaga, letterlijk ‘muurhaag’ [966; Gysseling 1960], Miradal, letterlijk ‘muurdal’ [1147; Gysseling 1960] (het eerste lid kan ook meer ‘waterplas’ zijn); mnl. mire ‘muur, vogelmuur’ en mure ‘plant: vogelmuur?’ [beide 1226-50; VMNW], eufragia ... draghet witte bloumen als muer ‘... heeft witte bloemen, zoals muur’ [1450-1500; MNW]; vnnl. muer, muur in groote muer wort vogelcruydt ghenoemt, cleyne muer ... cruypende muer ... [1608; WNT]; nnl. muur in groote, middelslag en kleine muur [1777; WNT].
Mnd. mīr; vnhd. myer (nhd. Miere); nfri. mier, mierre; < pgm. *meur- (alleen West-Germaans); pgm. *-eu- > -eo resulteert in de mnl. vorm mire, pgm. *-eu- > -iu- resulteert in de mnl. en huidige vorm mure, muur.
Verdere herkomst onbekend. Gezien het betekenisveld ‘inheemse flora’ en de beperkte geografische spreiding is het misschien een substraatwoord.
Muur is een geslacht van planten uit de anjerfamilie, die in West-Europa inheems is; een bekende soort is de vogelmuur, met kleine witte bloempjes, die veel als onkruid voorkomt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

murik* [plant] {1886} van muur2 [plant].

muur2* [plant] {muur, muer 1451-1500} fries, nederduits mīr; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

murik znw. m., evenals dravik gevormd van muur 2.

muur 2 znw. v. m. ‘planten van het geslacht stellaria’, mnl. muer. Dialectische vormen zijn miere, mier en in zuidnl. moer, moese. Vgl. verder mnd. mīr, westf. mīr o., mīre v., nhd. dial. miere, mier, meier. — Herkomst onbekend.

De klinkers lopen zeer uiteen. De vorm mier behoort niet alleen tot de fri. en saks. dial., want hij wordt ook gevonden op Beierland en Voorne. Waarschijnlijk is de grondvorm *mīra, mīrō (vgl. W. de Vries Ts 34, 1915-6, 297), hoewel ook *meura, meurō niet uitgesloten behoeft te zijn. Daarmee zou dan nnl. muur in ablaut kunnen staan. Daarentegen vooronderstelt zuid-nl. moer een oude vorm *mōra, mōrō, en als wij letten op de nevenvorm moese zelfs *mōza, mōzō. Waarschijnlijk zal men wel moeten aannemen, dat de klinker onder invloed van een affectief element sterk wisselen kon. — Mag men uitgaan van *meura of *meuza, dan schijnt er verband te kunnen zijn met de groep van mos 1, wat vooral dan mogelijk zou zijn, wanneer de naam oorspronkelijk een plant aanduidde, die op moerassige of waterrijke plaatsen groeide, zoals de watermuur of mallachium aquaticum, vgl. in dit verband russ. mur m., muráva v. ‘weidegras’ en lit. mauraĩ ‘eendekroos’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

muur II (plant), soms o., mnl. muer (v.?). Nnl. bijvorm murik met hetzelfde formans als dravik e. dgl. Dial. nog andere vormen, o.a. mier(e), dat een grondvorm met germ. eu (> eo > ndl. ie, resp. > iu > ndl. ü) waarschijnlijk maakt. Zoo zijn evenwel alle vormen nog niet te verklaren: vgl. mnd. mîr, westf. mîr o., mîre v., hd. dial. miere, mier, meier. Oorsprong onbekend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

muur II (plant). Dial., vooral zuid-ndl., komen ook vormen als moer, moese voor, die het nog moeilijker maken een aannemelijke grondvorm voor alle te construeren. Het owvla. herb. heeft mure (wsch. û).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mier 3 v. (plant), bijvorm van muur 2.

murik v., + Sp. muruge; z. muur 2.

muur 2 v. (vogelmuur), dial. mier, Ndd. en Fri. mîr, dial. Hgd. miere + Fr. mouron: niets is over den oorspr. bek. Vergel. murik en Vla. goezemoeze = ganzemuur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

mier, zn.: vogelmuur, Stellaria media. Ontrond uit muur.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mier, zn.: vogelmuur, Stellaria media. Ontrond uit muur.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

murke (K, DB), murre (DB), zn. v.: muur, Stellaria, sterrenmuur, vogelmuur. Var. van murik (vgl. vlerik/vlerke). Afl. van Mnl. muer. Etymologie onbekend.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

muur
Vogelmuur | Stellaria media (L.) Vill. subsp. media
Grote muur | Stellaria holostea L.
Grasmuur | Stellaria graminea L.
Zandmuur | Arenaria serpyllifolia L.
Vetmuur | Sagina procumbens L.

Vogelmuur heet in het Duits Vogelmiere en in het Frans kent men de volksnaam Mouron des oiseaux. Bij Dodoens (1644) kwam Vogelmuur “van de fransoysen du Mouron; van de welcke de Nederlanders den naem Muer ghenomen hebben“. Het is dus hoogstwaarschijnlijk dat de naam Muur (die ook voorkomt in de Nederlandse namen van soorten van de geslachten Stellaria, Arenaria en Sagina) afgeleid is uit het Franse Mouron. Eigenaardig genoeg beweert een Franse onderzoeker net het omgekeerde: “Le terme de ‘mouron’ dérive du neérlandais moyen muer (…).” Wie heeft er gelijk?

Vogelmuur is als vogelvoedsel zeer bekend en de zaden worden door kleine vogeltjes graag gegeten. De Grote muur heeft in vergelijking met de andere Muursoorten grote bloemen. Vet in Vetmuur is een verwijzing naar de Latijnse geslachtsnaam Sagina, woord dat vet, meststof of vetmesten betekent. Waarschijnlijk is de naam ironisch bedoeld in die zin dat de plant zo klein en teer is dat ze niet voor het vetmesten in aanmerking komt. Dat neemt niet weg dat de plant wel door schapen gegeten wordt.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Muur (grote), Stellaria holostea
Stellaria: is afkomstig van het Latijnse stelle = ster, naar de in een ster gerangschikte bloemblaadjes.
Holostea: dit betekent geheel benig. Dit heeft mogelijk te maken met de onderste stengelleden die hard zijn en er knokig uitzien.
Grote muur: Grote muur heeft de grootste bloemen van alle in Nederland voorkomende muursoorten, vandaar haar naam.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Stellária | Stellária média: Muur
De geslachtsnaam Stellaria is afkomstig van het Latijnse Stella: ster, naar de in een ster gerangschikte bloemblaadjes. De soortnaam media: midden duidt op de grootte ten opzichte van andere soorten muur. Deze aanduiding media had indertijd betrekking op deze soort toen die nog ondergebracht was in het geslacht Alsine, waarin ook soorten voorkwamen met de wetenschappelijke aanduiding minor: klein, en major: groot. Eertijds was haar wetenschappelijke benaming dan ook Alsine média, en in de apotheek stond ze bekend als Herba Alsine. Wat de naam Muur betreft, hieromtrent tasten we wat de verklaring en (het is hier niet de plaats om hierop nader in te gaan) het ontstaan ervan betreft nog in het duister.
Dat dit kleine plantje zeer vele volksnamen heeft is niet verwonderlijk, want het komt algemeen voor en is bijna het gehele jaar door bloeiend aan te treffen.
Men komt dit onkruid vooral tegen bij menselijke behuizingen, op akkers, langs wegen en paden, in tuinen, zelfs in bloembakken op de balkons. Het neemt elk plekje voor lief. Het verloop van ontkiemend zaadje, via bloei, tot zaadvorming gaat zeer snel, zo snel dat vele generaties per jaar optreden.
Dat het een lastig onkruid was blijkt wel uit de naam Krup-deur-den-tuun in het graafschap Zutphen. Behalve het veel voorkomende Muur, zijn er nog vele andere, zoals Gewone muur, Gemene muur, Kleine muur, Kruipende muur, Mure op vele plaatsen, Stermuur, en Witte muur. Verder nog Murik, Muring en Muurt. Omdat het, het gehele jaar voorkomende, plantje als een goed vogelvoer - bladeren zowel als zaden - gold, ontstonden namen als Vogelmuur, Ganzenmuur, Vogelkruid en Vogeltjeszaad. Dit gebruik is al zeer oud, want in 1500 komen we reeds de naam Vogelkraut tegen. Dodonaeus schrijft: ‘Kleijne muer is bequam om de voghelkens diemen in kleyne kevien oft huyskens houdt, te verquicken ende te vermaken, soo wanneer die onlustigh zijn ende niet eten en willen oft en konnen.’ Naast Muur komt veelvuldig voor Mier; verder Miere, Mierre, Witte mier en Witte miere en in Noord-Limburg Meer. Ook treft men namen aan die duiden op het gebruik als vogelvoer en die met mier verbonden zijn, zoals Hennemier, Hoendermier en Vogelmier. Dit mier heeft men willen afleiden van het reeds genoemde muur. Maar dit is waarschijnlijk niet juist. De naam Mier is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de Duitse benaming van dit plantje, luidende Miere. Dit Miere hangt samen met de stam ‘ma’ of ‘mei’ dat klein of nederig beduidt. Dus een klein en nietig plantje. Bij H. Bock (zestiende eeuw) komen we haar tegen als Meyer en in de ‘Hortus Sanitatis’ (1492) als Myer. In het Rijnland komen namen voor als Vochelmeier, en Mehre, en in de omgeving van Kevelaar, Elberfeld en Barmen spreekt men van Mier; Meer komt voor in het Keulse gebied. Andere Duitse benamingen zijn nog Mer, Meierich, Mir en Mür. Deze laatste naam staat bij Pritzel und Jessen genoteerd voor de Eifel in de omgeving van Nürnburg. Nader onderzoek is zeker gewenst wat de afleiding van muur betreft.
Andere namen die duiden op het gebruik als vogelvoer zijn behalve de reeds genoemde nog: Hoensmoes en Hoezemoes(ze) (Walcheren) en de Zeeuws-Vlaamse varianten Oesemoes en Oezemoeze. Hennebit, Hinnebeet en Hoenderbeet zijn namen die wel niet meer in omloop zullen zijn, maar die vroeger wel degelijk gebruikt werden. Een Latijnse benaming uit de zestiende eeuw was Herba mor sus gallinae: Hoenderbeetkruid. Men gaf het plantje (ook de zaden) vooral aan hoenders omdat men aannam dat het de eierleg bevorderen zou. P. Nylandt noemt de plant, in 1682, Hoender-bete of Morsus Gallinae. Een Engelse benaming was Chickweed, omdat men de jonge kuikens ermee voerde. In sommige streken in Groningen kende men de mierzeven, met gaten zo klein dat alleen stof en de zaden er doorheen vielen. Kent men deze muurzeven nog? Dat het plantje een groot aantal zaadjes voortbrengt, blijkt uit de naam Milliardekraut uit het Duitse Pfalzgebied. De namen Endendarm (Eendendarm) op Walcheren, en Hoenderdarm in Zeeuws-Vlaanderen kreeg de Muur vanwege de min of meer langs de grond kruipende, darmachtige, door elkaar kronkelende stengels. Bij Hildegard von Bingen (ca. 1150) komt reeds de naam Hunesdarm of Hunsdarm voor.
In het Groningse komen namen voor als Aar), Aarve, Arf en Arve; deze benamingen duiden op het veelvuldig voorkomen op het erf. Men kent daar het plantje ook als Vogeltjesaarve, en een verbastering daarvan luidde Vogeltjehave. In de geneeskunde werd Muur aangewend bij ontstoken ogen, tering en blaas- en nierziekten. In verband met de sympathieleer werd het plantje in vet gebraden gebruikt als middel bij darmkrampen van kinderen. Dit in verband met de darmachtig gekronkelde stengels, zie hierboven. In de homeopathie wordt de Muur aangewend bij jicht en rheuma. De landelijke bevolking benutte Muur als een soort weerprofeet. Want opende het plantje zijn bloempjes
‘s morgens dan was men verzekerd van goed weer, bleven zij echter gesloten dan kon men op slecht weer rekenen.

Stellária | Stellária média: Muur
De geslachtsnaam Stellaria is afkomstig van het Latijnse Stella: ster, naar de in een ster gerangschikte bloemblaadjes. De soortnaam media: midden duidt op de grootte ten opzichte van andere soorten muur. Deze aanduiding media had indertijd betrekking op deze soort toen die nog ondergebracht was in het geslacht Alsine, waarin ook soorten voorkwamen met de wetenschappelijke aanduiding minor: klein, en major: groot. Eertijds was haar wetenschappelijke benaming dan ook Alsine média, en in de apotheek stond ze bekend als Herba Alsine. Wat de naam Muur betreft, hieromtrent tasten we wat de verklaring en (het is hier niet de plaats om hierop nader in te gaan) het ontstaan ervan betreft nog in het duister.
Dat dit kleine plantje zeer vele volksnamen heeft is niet verwonderlijk, want het komt algemeen voor en is bijna het gehele jaar door bloeiend aan te treffen.
Men komt dit onkruid vooral tegen bij menselijke behuizingen, op akkers, langs wegen en paden, in tuinen, zelfs in bloembakken op de balkons. Het neemt elk plekje voor lief. Het verloop van ontkiemend zaadje, via bloei, tot zaadvorming gaat zeer snel, zo snel dat vele generaties per jaar optreden.
Dat het een lastig onkruid was blijkt wel uit de naam Krup-deur-den-tuun in het graafschap Zutphen. Behalve het veel voorkomende Muur, zijn er nog vele andere, zoals Gewone muur, Gemene muur, Kleine muur, Kruipende muur, Mure op vele plaatsen, Stermuur, en Witte muur. Verder nog Murik, Muring en Muurt. Omdat het, het gehele jaar voorkomende, plantje als een goed vogelvoer - bladeren zowel als zaden - gold, ontstonden namen als Vogelmuur, Ganzenmuur, Vogelkruid en Vogeltjeszaad. Dit gebruik is al zeer oud, want in 1500 komen we reeds de naam Vogelkraut tegen. Dodonaeus schrijft: ‘Kleijne muer is bequam om de voghelkens diemen in kleyne kevien oft huyskens houdt, te verquicken ende te vermaken, soo wanneer die onlustigh zijn ende niet eten en willen oft en konnen.’ Naast Muur komt veelvuldig voor Mier; verder Miere, Mierre, Witte mier en Witte miere en in Noord-Limburg Meer. Ook treft men namen aan die duiden op het gebruik als vogelvoer en die met mier verbonden zijn, zoals Hennemier, Hoendermier en Vogelmier. Dit mier heeft men willen afleiden van het reeds genoemde muur. Maar dit is waarschijnlijk niet juist. De naam Mier is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de Duitse benaming van dit plantje, luidende Miere. Dit Miere hangt samen met de stam ‘ma’ of ‘mei’ dat klein of nederig beduidt. Dus een klein en nietig plantje. Bij H. Bock (zestiende eeuw) komen we haar tegen als Meyer en in de ‘Hortus Sanitatis’ (1492) als Myer. In het Rijnland komen namen voor als Vochelmeier, en Mehre, en in de omgeving van Kevelaar, Elberfeld en Barmen spreekt men van Mier; Meer komt voor in het Keulse gebied. Andere Duitse benamingen zijn nog Mer, Meierich, Mir en Mür. Deze laatste naam staat bij Pritzel und Jessen genoteerd voor de Eifel in de omgeving van Nürnburg. Nader onderzoek is zeker gewenst wat de afleiding van muur betreft.
Andere namen die duiden op het gebruik als vogelvoer zijn behalve de reeds genoemde nog: Hoensmoes en Hoezemoes(ze) (Walcheren) en de Zeeuws-Vlaamse varianten Oesemoes en Oezemoeze. Hennebit, Hinnebeet en Hoenderbeet zijn namen die wel niet meer in omloop zullen zijn, maar die vroeger wel degelijk gebruikt werden. Een Latijnse benaming uit de zestiende eeuw was Herba mor sus gallinae: Hoenderbeetkruid. Men gaf het plantje (ook de zaden) vooral aan hoenders omdat men aannam dat het de eierleg bevorderen zou. P. Nylandt noemt de plant, in 1682, Hoender-bete of Morsus Gallinae. Een Engelse benaming was Chickweed, omdat men de jonge kuikens ermee voerde. In sommige streken in Groningen kende men de mierzeven, met gaten zo klein dat alleen stof en de zaden er doorheen vielen. Kent men deze muurzeven nog? Dat het plantje een groot aantal zaadjes voortbrengt, blijkt uit de naam Milliardekraut uit het Duitse Pfalzgebied. De namen Endendarm (Eendendarm) op Walcheren, en Hoenderdarm in Zeeuws-Vlaanderen kreeg de Muur vanwege de min of meer langs de grond kruipende, darmachtige, door elkaar kronkelende stengels. Bij Hildegard von Bingen (ca. 1150) komt reeds de naam Hunesdarm of Hunsdarm voor.
In het Groningse komen namen voor als Aar), Aarve, Arf en Arve; deze benamingen duiden op het veelvuldig voorkomen op het erf. Men kent daar het plantje ook als Vogeltjesaarve, en een verbastering daarvan luidde Vogeltjehave. In de geneeskunde werd Muur aangewend bij ontstoken ogen, tering en blaas- en nierziekten. In verband met de sympathieleer werd het plantje in vet gebraden gebruikt als middel bij darmkrampen van kinderen. Dit in verband met de darmachtig gekronkelde stengels, zie hierboven. In de homeopathie wordt de Muur aangewend bij jicht en rheuma. De landelijke bevolking benutte Muur als een soort weerprofeet. Want opende het plantje zijn bloempjes
‘s morgens dan was men verzekerd van goed weer, bleven zij echter gesloten dan kon men op slecht weer rekenen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

muur ‘plant’ -> Frans mouron ‘plant, rode bastaardmuur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muur* plant 1350 [Vandewiele en Braekman]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal